De norm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder met zijn
ten laste komende kinderen in wiens woning een ander zijn
hoofdverblijf heeft of die in de woning van een ander zijn
hoofdverblijf heeft en die de algemene noodzakelijke kosten van
het bestaan kan delen, wordt verhoogd met een toeslag die is
bepaald op de helft van het in artikel 25, lid 2 van de wet genoemde
maximumbedrag behoudens het bepaalde in artikel 6, lid 1, artikel 7 en artikel 8 van deze verordening;
In afwijking van lid 1 wordt de norm voor de alleenstaande en de
alleenstaande ouder verhoogd met een toeslag, die is bepaald op
het in artikel 25, lid 2 van de wet genoemde
maximumbedrag behoudens het bepaalde in artikel 6, lid 1, artikel 7 en artikel 8 van deze verordening, indien de woning
wordt bewoond met een ander of die in de woning van een ander
woont en die de algemene noodzakelijke kosten van het bestaan
niet kan delen;
In afwijking van lid 1 wordt geen toeslag als bedoeld in artikel 25, lid 2 van de wet verleend, indien die
ander de niet-rechthebbende echtgenoot of daarmee gelijkgestelde
is en een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren ontvangt;
Van het niet kunnen delen van de algemeen noodzakelijk kosten is
in ieder geval sprake, indien de woning wordt bewoond met
uitsluitend:
een niet ten laste komend kind jonger dan 21 jaar, dat
over een inkomen beschikt dat niet hoger is dan het
bedrag, als bedoeld in artikel 21, sub a van de wet;
een ongehuwd kind dat aanspraak kan maken op
studiefinanciering van de Wet Studie financiering 2000, dan wel een
tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
schoolkosten en over een inkomen beschikt
dat niet hoger is dan het bedrag, als bedoeld in artikel 21, sub a van de wet. Onder
“inkomen” wordt mede begrepen het inkomen dat in het
kader van de Wet Studiefinanciering 2000 bij de
vaststelling van de hoogte van het toetsingsinkomen
buiten beschouwing wordt gelaten;
een bloedverwant in de eerste of tweede graad waarbij
sprake is van zorgbehoefte tussen één van deze
bloedverwanten en de alleenstaande of de alleenstaande
ouder;
Bij drie of meer kostgangers en/of onderhuurders wordt de
kostgever of de (onder) verhuurder geacht een bedrijf te
exploiteren en dient voor een inkomensvoorziening een beroep te
worden gedaan op het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004.
Hoofdstuk
Artikel 4
Niet alleen wonende alleenstaande (ouder)
Onderdeel van Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand gemeente Steenbergen