1. De marktmeester maakt van elke marktdag een beknopt verslag en houdt een lijst bij waarin hij de namen van de aanwezige en afwezige vaste standplaatshouders, de dagstandplaatshouders en de standwerkers, noteert alsmede de bijzonderheden voor, tijdens en na de markt.

2. Bij afwezigheid van de in het eerste lid bedoelde marktkooplieden vermeldt hij de reden daarvan.