Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5.

Artikel 13.

Onderzoek naar de behoeften, persoonlijke situatie en voorkeuren

Onderdeel van Verordening Jeugdhulp en Wmo 2025

1.. Als bij het college een aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt ingediend, voert het college in samenspraak met de inwoner dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 6 weken, een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met tiende lid en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek met een medewerker van het college. In overleg met het college kan de inwoner de aanvraag lopende het onderzoek wijzigen. 2.. Voordat het onderzoek van start gaat, kan de inwoner het college een persoonlijk plan verstrekken. Als de inwoner daarom verzoekt, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van het persoonlijk plan. 3.. Het college kan in overleg met de inwoner afzien van een onderzoek en bevestigt dit schriftelijk. 4.. Het college wijst de inwoner voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning. 5.. Het college onderzoekt wanneer een inwoner zich meldt met een vraag over jeugdhulp of Wmo met de inwoner: wat de hulpvraag van de inwoner is; de behoeften, voorkeuren, persoonlijke -, en gezinssituatie, waaronder de ontwikkeling van de inwoner en wanneer nodig diens veiligheid; of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen, ontwikkelingsproblemen of een verstandelijke beperking van de inwoner, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen, en zo ja dan onderzoekt het college achtereenvolgens: welke problemen of stoornissen dat zijn; welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden, en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een algemene voorziening of maatwerkvoorziening te voorzien in de nodige ondersteuning, hulp en zorg; hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van ondersteuning zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de inwoner; indien van toepassing, hoe de toekenning van een maatwerkvoorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. 6.. Bij de beoordeling of de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de inwoner, eventueel met steun van het sociaal netwerk, toereikend zijn om zelf de gevraagde hulp te bieden als bedoeld in het vorige lid onder c, sub 3, wordt rekening gehouden met: de benodigde ondersteuningsintensiteit van de inwoner; de duur daarvan; de mogelijkheden van de inwoner (of zijn ouders); de draagkracht en de belastbaarheid van het sociaal netwerk; de samenstelling van het gezin en de woonsituatie; het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen; de mogelijkheden en de bereidheid van het sociale netwerk om de inwoner te ondersteunen. 7.. Als de inwoner of zijn ouders een persoonlijk plan aan het college hebben overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. 8.. Bij het onderzoek wordt aan de inwoner, dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger, medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor de verstrekking van een pgb. De inwoner, dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger, wordt in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze. 9.. De inwoner verschaft het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. 10.. Het college legt in nadere regels de inhoud van en de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd en vastgelegd vast.

Rechtspraak bij dit artikel