Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 5.

Voorwaarden voor een maatwerkvoorziening

Onderdeel van Verordening Jeugdhulp en Wmo 2025

5.1. Eigen netwerk Een maatwerkvoorziening wordt pas verstrekt als, naar het oordeel van het college de eigen kracht en het probleemoplossend vermogen van de inwoner, eventueel met steun van het eigen netwerk, onvoldoende toereikend is om zelf de gevraagde ondersteuning te bieden. Onder eigen kracht en het probleemoplossend vermogen van de inwoner wordt in ieder geval verstaan: gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders; bovengebruikelijke hulp van ouders, gezinsleden en overige inwonenden op het adres, voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de boven gebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan; de ondersteuning vanuit het sociale netwerk; het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten. Een maatwerkvoorziening wordt in beginsel niet verstrekt als de hulp naar het oordeel van het college kan worden beschouwd als gebruikelijke hulp. Gebruikelijke hulp bij de Wmo betreft de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van het sociaal netwerk, rekening houdend met de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen. Gebruikelijke hulp bij de Jeugdwet is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van 1 van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont. Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Het college houdt hierbij rekening met de volgende factoren: de leeftijd van de jeugdige de mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige de mate van planbaarheid van de hulp de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige| Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt het college geen maatwerkvoorziening tot jeugdhulp. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige. Gaat het om hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt, zijn de ouders in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp. Het college beoordeelt dan of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden, zoals in lid 5 staat weergegeven. Het college maakt hierbij onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties. Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar Het college verwacht van ouders dat zij in kortdurende. situaties de bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij dit gelet op de aard van de hulp niet kan worden verwacht of de ouders door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige. Langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar. Bij de beoordeling in langdurige situaties houdt het college rekening met de volgende factoren: de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige de mate van planbaarheid van de hulp het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouders de manier van omgaan van ouders met de problemen van de jeugdige vaardigheden van de ouders om zelf hulp te bieden (bijvoorbeeld een verpleegachtergrond) of er sprake is van problematiek bij de ouders, zoals relationele problemen of schulden welke verplichtingen de ouders hebben, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen het belang van ouders om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen de woonsituatie de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijke stiefouder of niet) is er een sociaal netwerk en zo ja, wat zijn de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk om de jeugdige of zijn ouders te ondersteunen overige maatwerkvoorzieningen omstandigheden die door jeugdige en ouders worden ingebracht Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouders, bij de beschikbaarheid van de ouders voor het verlenen van de hulp, bij de belasting van de ouders en bij de financiële situatie van de ouders wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen. Het college verstrekt dan geen maatwerkvoorziening tot jeugdhulp. Bij (dreigende) overbelasting geldt nog het volgende: Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige. Als de overbelasting ziet op spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de zorg van de jeugdige om, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen. Bij een aanvraag voor een maatwerkvoorziening tot jeugdhulp bekijkt het college wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen. Als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de ouder verwacht. Het verlenen van hulp aan je kind gaat voor op sociale/maatschappelijke activiteiten. Een pgb voor het verlenen van hulp aan een jeugdige door een ouder wordt beëindigd als er sprake is van (dreigende) overbelasting. Een andere zorgverlener moet het verlenen van hulp overnemen om de overbelasting te stoppen. Als ouders een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp aan de jeugdige wordt van hen verwacht dat ze hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. Het college verstrekt hiervoor geen maatwerkvoorziening tot jeugdhulp. Als de jeugdige en/of de ouders een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoedt, wordt van ouders verwacht dat zij deze aanspreken. Het college verstrekt dan geen maatwerkvoorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed. 5.2. Vorm en omvang Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate tijdig beschikbare voorziening. Een maatwerkvoorziening wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. Om doeltreffend te zijn moet het college in elk geval van oordeel zijn dat de in te zetten interventie bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en waar beschikbaar wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet effectieve interventie. Het college heeft de bevoegdheid om ouders ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen, te wijzen op hun verantwoordelijkheid om dit in het belang van het kind op te lossen en verwijst de ouders, naast ondersteuning aan het kind, door aan bevoegde instanties. Het voorgaande lid is niet van toepassing als: er parallel aan de bedoelde hulpvraag sprake is van meervoudige problematiek in de context van het gezin. ouders een ouderschapsplan hebben opgesteld die door beiden is ondertekend en hier door hen structureel opvolging aan wordt gegeven. de juridische afwikkeling van de scheiding afgerond is. Ouders voorliggend aan de hulpvraag contact hebben opgezocht met het Echtscheidingsloket van de LEV-groep.

Rechtspraak bij dit artikel