Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3. › Paragraaf 3.2

Artikel 3.2.4

Landelijk gebied

Onderdeel van Beleidsregel wind op land

Voor kleinschalige windenergie in het landelijk gebied wordt de koers ‘ja, mits’ aangehouden. In het landelijk gebied zijn zowel erfmolens, dakmolens als windwokkels onder voorwaarden toegestaan. Voor de plaatsing van erfmolens gelden de volgende randvoorwaarden: Voldoen aan de randvoorwaarden omgevingsfactoren. De opwek is primair bedoeld voor eigen energiebehoefte. Erfmolens hebben een tiphoogte van maximaal 15 meter. De erfmolens moeten binnen het bouwvlak worden gesitueerd. Een erfmolen buiten de erfsingel is niet toegestaan. Dit met het oog op de bescherming van het polderzicht. Een erfmolen wordt niet gesitueerd op het voorerf. Plaatsing achter woning of voorhuis, zodat de oorspronkelijke boerderij of de woning de blikvanger blijft. Erfmolens zijn toegestaan bij agrarisch bedrijven alsmede bij andere bedrijven in het landelijk gebied . Er mogen maximaal 2 erfmolens1Vanaf 3 met elkaar samenhangende windturbines wordt juridisch gezien gesproken van een windmolenpark. In dat geval is een milieueffectrapportage nodig om de milieueffecten te kunnen aantonen, waarbij de gemeente de voorwaarden stelt, al dan niet gebaseerd op het Besluit activiteiten leefomgeving. Dit is niet van toepassing op Urk, aangezien maximaal 2 erfmolens per erf zijn toegestaan. op een bouwvlak worden geplaatst. Bij 2 stuks zijn alle erfmolens van hetzelfde type en hebben een gelijke hoogte, verhoudingen, materialen en kleuren. De erfmolen is herkenbaar als een zelfstandige, eenduidige, ranke hoofdvorm. Een HAT erfmolen kent een evenwichtige verhouding masthoogte/wiekdiameter. Verhoudingen die veel voorkomen liggen tussen 1:1 en 1,5:1 ( dus bij een mast van 15 m heeft een wiek de lengte tussen de 5 en 7,5 meter). Bijbehorende elementen (transformator, hekwerk, e.a.) zijn in maat ondergeschikt en ingepast op het erf. Een erfmolen als reclameobject is niet toegestaan. Voor de plaatsing van dakmolens en windwokkels gelden de volgende randvoorwaarden: Voldoen aan de randvoorwaarden omgevingsfactoren. de opwek is primair bedoeld voor eigen energiebehoefte. Dakmolens en windwokkels moeten passen binnen de maximaal toegestane bouwhoogte. Dakmolens en windwokkels mogen zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte. Wel moet enige afstand worden aangehouden worden vanaf de rand van het dak (dus de constructies moeten ‘naar binnen’ worden gerooid, zo veel mogelijk midden op het gebouw). Richtafstand tot de rand van het dak is minimaal de hoogte van de dakmolen of windwokkel. Dakmolens en windwokkels mogen maximaal 1/3 van hoogte van het gebouw bedragen. De maximale hoogte bedraagt 5 meter. De maximale rotordiameter van dakmolens en windwokkels bedraagt 2 meter. Toegestaan zijn molens die aansluiten bij de (kap)contour van het bouwvolume en die architectonisch een eenheid vormen met het dak. Dakmolens en windwokkels zijn duidelijk ondergeschikt in beeld en omvang ten opzichte van het dakvlak waarop de molen wordt geplaatst. Bij meerdere molens op één dak zijn alle windmolens van hetzelfde type: gelijke hoogte, verhoudingen, materialen en kleuren Kleurstelling of uitstraling van dakmolens of windwokkels : onopvallend/ gedekt, mat/ geen glimmende oppervlakten. afgestemd op de kleur van de dakbedekking. Een dakmolen of windwokkel als reclameobject is niet toegestaan. Erfmolen passend op het erf en in het landschap In het algemeen werkt het voor het beeld vanaf de straat het best als een windmolen achter op het erf wordt geplaatst. Niet te ver van gebouwen of hoge beplanting. Het moet zichtbaar blijven dat de windmolen bij de boerderij hoort. Het risico is anders dat er veel ‘losse’ windmolens in het landschap komen te staan, waarmee een rommelig totaalbeeld dreigt te ontstaan. Bovendien wordt hiermee zichtbaar gehouden dat de windmolen bij de boerderij hoort. Het is dan heel duidelijk te zien waar die boerderij (een deel van) zijn energie vandaan haalt. In geval van één vrijstaande windmolen zal er meestal een goede plek te vinden zijn op het (zij- of) achtererf. Als er meerdere vrijstaande molens worden gesitueerd (maximaal twee), dan is het belangrijk de opstelling te plaatsen op een manier die past bij de landschappelijke structuren rondom het erf. Bij deze toetsing dient wel oog te worden gehouden voor een praktische bedrijfsvoering en voldoende windvang.

Rechtspraak bij dit artikel