De aanwijzing van de in artikel 1, 2 en 3 genoemde functionaris alsmede de op basis van artikel 4 en 5 aan deze functionaris verleende mandaat en machtiging eindigt van rechtswege met ingang van de datum waarop de uitoefening van de functie van inspecteur, ontvanger of WOZ-ambtenaar geen deel meer uitmaakt van de werkzaamheden van deze functionaris.