Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Kennismakingsperiode

Onderdeel van Beleidsregels kennismakingsperiode 2024

1.. Het college kan op aanvraag van één of twee uitkeringsgerechtigde(n) eens in de vijf jaar een kennismakingsperiode toestaan. 2.. Wanneer sprake is van twee uitkeringsgerechtigden, dient iedere uitkeringsgerechtigde een aanvraag in bij het college waar de uitkering wordt ontvangen. 3.. De aanvraag geschiedt op een door het college vastgesteld formulier. 4.. Een kennismakingsperiode moet vóór aanvang van het op proef samenwonen worden aangevraagd. De uitkeringsgerechtigde kan niet met terugwerkende kracht een beroep doen op de kennismakingsperiode. 5.. De kennismakingsperiode vangt niet eerder aan dan nadat het college schriftelijk toestemming heeft verleend. 6.. De duur van de kennismakingsperiode bedraagt drie maanden. 7.. De periode van drie maanden genoemd in lid 6 kan, op verzoek van de uitkeringsgerechtigde, verlengd worden met nog eens maximaal drie maanden. De uitkeringsgerechtigde dient vóór het aflopen van de toegestane periode het - met redenen omklede - verlengingsverzoek in te dienen. 8.. Gedurende de kennismakingsperiode behoudt de uitkeringsgerechtigde de uitkering naar de norm (Participatiewet) dan wel grondslag (Ioaw/z) die de uitkeringsgerechtigde ontving vóór de datum van toekenning van de kennismakingsperiode, tenzij deze norm/grondslag wijzigt wegens andere omstandigheden dan het samenwonen op proef.

Rechtspraak bij dit artikel