Voordat een maatregel of een boete wordt opgelegd wordt een belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.
Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als:
de vereiste spoed zich daartegen verzet;
belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;
het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid, of
belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken.
Indien op grond van de Inburgeringswet een boete wordt opgelegd van meer dan € 340, geldt de hoorplicht zoals bedoeld in dit artikel.
Indien op grond van de Inburgeringswet een boete wordt opgelegd van minder dan € 340, geldt geen hoorplicht.
Hoofdstuk 1.
Artikel 3.
Horen van belanghebbende
Onderdeel van Verordening maatregelen Participatiewet, IOAW, IOAZ en Wi2021 Son en Breugel 2025