Dit artikel is uitsluitend van toepassing op
pensioenberekeningen over jaren gelegen tussen 31 december 1985
en 1 januari 1995.
Het pensioen wordt berekend over de pensioengrondslag. De
pensioengrondslag wordt gevormd door de laatstelijk als
wethouder genoten wedde, vermeerderd met het percentage van de
vakantieuitkering, te verminderen met een bedrag als omschreven
in het vierde lid (de franchise).
In afwijking van het bepaalde in het tweede lid wordt ten
aanzien van wethouders die voor hun bezoldiging geacht worden
niet de volledige werkweek aan het wethouderschap te besteden,
onder wedde verstaan, het tot een jaarbedrag herleide bedrag
waarvan die wedde is afgeleid.
De franchise bedoeld in het tweede lid is gelijk aan:
twintig zevende maal het tot een jaarbedrag herleide
bedrag genoemd in artikel 9, vijfde lid, onder b, van de
Algemene Ouderdomswet, vermeerderd met de
bruto-vakantie-uitkering ingevolge artikel 29 van die
wet, indien de pensioengerechtigde recht heeft op dat
bedrag of op dat bedrag recht zou hebben gehad, indien
geen toepassing zou zijn gegeven aan artikel 13 van die
wet;
tien zevende maal het tot een jaarbedrag herleide bedrag
genoemd in artikel 9, vijfde lid, onder a, van de
Algemene Ouderdomswet, vermeerderd met de
bruto-vakantie-uitkering ingevolge artikel 29 van die
wet, indien de pensioengerechtigde recht heeft op dat
bedrag, of op dat bedrag recht zou hebben gehad, indien
geen toepassing zou zijn gegeven aan artikel 13 van die
wet.
Wanneer ten aanzien van de gepensioneerde wethouder wijziging
optreedt in de toepassing van artikel 9, vijfde lid, van de
Algemene Ouderdomswet, wordt zijn pensioengrondslag herberekend.
Het dienovereenkomstig herberekende pensioen gaat in op dezelfde
dag als die wijziging.
Wanneer het bedrag bedoeld in het vierde lid, onder a of b, of
de hoogte van de daarbedoelde vakantie-uitkering wordt
gewijzigd, wordt de franchise herberekend. De
dienovereenkomstige herberekende pensioenen gaan in op dezelfde
dag als die wijziging.
Behoudens het bepaalde in het achtste lid bedraagt het pensioen
voor ieder van de eerste vier voor pensioen tellende jaren als
wethouder 3,5 procent van de pensioengrondslag, en voor ieder
overig jaar als wethouder 1,75 procent van de pensioengrondslag,
in totaal tot een maximum van 70 procent van de
pensioengrondslag, aangepast naar de regelen, vastgesteld bij de
algemene maatregel van bestuur bedoeld in artikel 157 van de
Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers.
Indien recht bestaat op meer dan een pensioen, bedoeld in het
zevende lid, dan wel daarnaast recht bestaat op een of meer
pensioenen krachtens de tweede en derde afdeling van de Algemene
pensioenwet politieke ambtsdragers, komen voor de toepassing van
de pensioenberekening naar 3,5 procent per dienstjaar in totaal
ten hoogste vier dienstjaren in aanmerking en wordt die
berekening voor zover mogelijk toegepast ten aanzien van het
pensioen, waarbij die berekening het hoogste bedrag oplevert en
overigens ten aanzien van het andere pensioen of de andere
pensioenen in de volgorde van de hoogte der wedden,
berekeningsgrondslag of pensioengrondslagen. Voor vergelijking
van deze wedden, berekeningsgrondslag of pensioengrondslagen
worden deze zo nodig aangepast naar de regelen vastgesteld bij
de algemene maatregel van bestuur bedoeld in artikel 157 van
evengenoemde wet.
Het vierde en vijfde lid van artikel 18 zijn van overeenkomstige
toepassing.
Indien een pensioen wordt berekend zowel met toepassing van
artikel 18 als met toepassing van dit artikel, wordt in
afwijking van het zesde, zevende of achtste lid het percentage
van 70 verminderd met het percentage van het pensioen dat eerst
is berekend met toepassing van artikel 18.
Afdeling II › Hoofdstuk II
Artikel 19
Berekening van het eigen pensioen over tijd tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995
Onderdeel van Uitkerings- en pensioenverordening wethouders gemeente Delft 1992