Naar hoofdinhoud

Afdeling II › Hoofdstuk II

Artikel 18

Berekening van het eigen pensioen over tijd voor 1 januari 1986

Onderdeel van Uitkerings- en pensioenverordening wethouders gemeente Delft 1992

Dit artikel is uitsluitend van toepassing op pensioenberekeningen over jaren gelegen voor 1 januari 1986. Behoudens het bepaalde in lid 3 bedraagt het pensioen voor ieder van de eerste vier jaren als wethouder 3,5 procent en voor ieder overig jaar als wethouder 1,75 procent, in totaal tot een maximum van 70 procent, van de - in de zin van artikel 4 - laatstelijk als wethouder genoten wedde, vermeerderd met het percentage van de vakantie-uitkering, aangepast naar de regelen als bedoeld in artikel 157 van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers. Indien recht bestaat op meer dan een pensioen krachtens of op voet van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers komen op grond van artikel 139, lid 2, van deze wet voor de toepassing van de pensioenberekening naar 3,5 procent per dienstjaar in totaal ten hoogste vier dienstjaren in aanmerking en wordt die berekening voor zover mogelijk toegepast ten aanzien van het pensioen, waarbij die berekening het hoogste bedrag oplevert, en overigens ten aanzien van het andere pensioen of de andere pensioenen in de volgorde van de hoogte van de wedden of de berekeningsgrondslag. Voor de vergelijking van deze wedden of berekeningsgrondslag worden deze zo nodig aangepast aan de regelen, bedoeld in artikel 157 van evengenoemde wet. De tijd met recht op uitkering doorgebracht telt als diensttijd mee in die zin, dat het pensioen over deze tijd naar 0,875 procent per jaar wordt berekend, met dien verstande dat, wanneer het een uitkering betreft als bedoeld in artikel 4a het pensioen over deze tijd naar 1,75 procent per jaar wordt berekend, voor zover en voor zolang het percentage van de algemene invaliditeit 55 of meer bedroeg. Voor de toepassing van de vorige volzin worden uitkeringen als bedoeld in artikel 2 en in artikel 3, leden 1 en 2, aangemerkt als een uitkering als bedoeld in artikel 4a, indien en zolang belanghebbende tijdens de duur van eerstbedoelde uitkeringen voor 55 procent of meer algemeen invalide was. Geen meetelling van uitkeringstijd als diensttijd vindt plaats: voor zover gedurende die tijd belanghebbende uit andere hoofde een overheidspensioen opbouwde; voor zover gedurende die tijd het bedrag van de uitkering wegens inkomsten, bedoeld in artikel 5, tot nihil was verminderd; in zover belanghebbende die recht had op uitkering, doch minder uitkering genoot dan de krachtens artikel 59 berekende pensioenpremie, er geen zorg voor draagt dat deze premie, welke in dit geval als een op hem rustende schuld wordt beschouwd, bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd is voldaan; wanneer belanghebbende zulks verzoekt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel