De uitkering wordt toegekend voor een periode gelijk aan het
tijdvak, waarin belanghebbende laatstelijk zonder wezenlijke
onderbreking wethouder is geweest, doch tenminste voor de
duur van twee jaren en ten hoogste voor de duur van zes
jaren.
In afwijking hiervan wordt de uitkering toegekend voor de
duur van zes maanden, indien de belanghebbende korter dan
drie maanden wethouder is geweest.
De raad beslist of een onderbreking als wezenlijk moet
worden beschouwd. Van een zodanige onderbreking is geen
sprake, indien deze ten hoogste twee maanden heeft
geduurd.
In geval van tussentijds eindigen van de uitkering
krachtens artikel 7, onder c, wordt de volgende uitkering
toegekend ten minste tot het tijdstip, waarop eerstgenoemde
uitkering zou zijn geëindigd ingeval artikel 7, onder c,
buiten toepassing was gebleven.
Afdeling I
Artikel 2
Normale duur van de uitkering
Onderdeel van Uitkerings- en pensioenverordening wethouders gemeente Delft 1992