Ingevolge artikel 45, tweede lid, Participatiewet kan het college besluiten de algemene bijstand over een andere periode dan per kalendermaand vast te stellen of te betalen.
Het college maakt gebruik van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 45, tweede lid Participatiewet, indien een uitkeringsgerechtigde Amsterdammer op bescheiden schaal bedrijfs- of beroepsmatige werkzaamheden voor eigen rekening verricht, voor minder dan 23,5 uur per week (1225 uur op jaarbasis), wanneer vooraf toestemming is ontvangen van het college;
Het college geeft toestemming in de volgende gevallen:
Wanneer een uitkeringsgerechtigde Amsterdammer begeleiding ontvangt zoals bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bbz 2004 met het doel om te starten als zelfstandige in de zin van art. 1 sub b Bbz 2004 en de werkzaamheden naar het oordeel van het college daaraan bijdragen;
Aan Amsterdammers die wegens een arbeids- of medische urenbeperking beperkt zijn in het type werk dat zij kunnen uitvoeren en/of het aantal uren dat zij kunnen werken. Waarbij het uitvoeren van parttime werkzaamheden als zelfstandige de beste manier is om gedeeltelijk in het eigen levensonderhoud te voorzien;
In overige gevallen waarbij het verrichten van zelfstandige werkzaamheden op bescheiden schaal naar het oordeel van het college de beste manier is om actief deel te nemen aan de maatschappij en/of te werken aan vaardigheden en competenties die uiteindelijk wel kunnen leiden tot een zelfstandig inkomen.
De periode waarvoor toepassing kan worden gegeven aan de bevoegdheid van het college, bedoeld in het eerste lid, bedraagt twaalf maanden. Deze periode kan worden verlengd wanneer individuele omstandigheden daar aanleiding toe geven;
Bij toepassing van de bevoegdheid van het college, bedoeld in het eerste lid, gelden de volgende voorwaarden en uitgangspunten:
De werkzaamheden zijn van bescheiden omvang en nemen gemiddeld maximaal 23,5 uur per week in beslag.
De bedrijfsmatige activiteiten voldoen aan de wettelijke vereisten;
De Amsterdammer hanteert gebruikelijke marktprijzen;
De Amsterdammer voert een deugdelijke boekhouding;
Er worden geen verplichtingen aangegaan voor een langere periode dan dat de regeling wordt toegekend;
De door de klant gemaakte zakelijke kosten dienen noodzakelijk te zijn voor de bedrijfsvoering, te passen bij het bescheiden karakter en redelijkerwijs in verhouding te staan tot de gemaakte omzet. In de bijstandsnorm begrepen kosten worden niet als zakelijk aangemerkt.
Na afloop van het kalenderjaar neemt het college een beslissing over het in aanmerking te nemen inkomen over de periode waarop de uitkeringsgerechtigde Amsterdammer recht had op algemene bijstand. De basis daarvan is het resultaat uit onderneming of uit overige werkzaamheden, na aftrek van de daarover verschuldigde inkomstenbelasting, premies volksverzekering, alsmede de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet, maar zonder rekening te houden met de ondernemersaftrek zoals bedoeld in artikel 3.74 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de MKB-winstvrijstelling, bedoeld in artikel 3.79a van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Hoofdstuk
Artikel 5.2.
Verrekenen van inkomsten op jaarbasis (bescheidenschaalregeling)
Onderdeel van Beleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz van de Gemeente Amsterdam