Naar hoofdinhoud

Artikel 6

Aanvullende voorwaarden object voor percelen gelegen buiten de bebouwde kom

Onderdeel van Beleidsregel voor tijdelijke woningen op particuliere erven

1.. De tijdelijke woning wordt minimaal 3 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw gebouwd; 2.. De goothoogte mag niet meer dan 3 meter bedragen; 3.. De bouwhoogte mag niet meer dan 6 meter bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte niet hoger mag zijn dan 80% van de bouwhoogte van het hoofdgebouw; 4.. De dakhelling mag niet meer dan 60° bedragen; 5.. De gezamenlijke van de bijbehorende bouwwerken bij de hoofdwoning inclusief de oppervlakte van de tijdelijke woning bedraagt maximaal: 150 m2 bij bouwpercelen met een oppervlakte tot 1.500 m2; 175 m2 bij bouwpercelen met een oppervlakte vanaf 1.500 m2 tot 2.000 m2; 200 m2 bij bouwpercelen met een oppervlakte vanaf 2.000 m2 en groter; met dien verstande dat: ten hoogste 50% van het bij het hoofdgebouw aansluitende erf mag worden bebouwd en tevens minimaal 50% van het bij het hoofdgebouw aansluitende erf, dat voor de voorgevel of het verlengde daarvan is gelegen, onbebouwd blijft; als de bestaande oppervlakte meer is dan opgenomen in sub a tot en met c, dan bedraagt de maximale oppervlakte ten hoogste het bestaande oppervlak. 6.. De afstand tussen het hoofdgebouw en de tijdelijke woning bedraagt maximaal 30 meter. 7.. De gevels van de tijdelijke woning hebben een donkere landelijke kleurstelling.

Rechtspraak bij dit artikel