Inwoners met een uitkering van het college hebben meestal weinig mogelijkheden om een schuld te betalen. Het college houdt daar rekening mee en stelt de maandelijkse betalingsverplichting van de inwoner vast aan de hand van de beslagvrije voet. De vordering op de inwoner wordt verrekend met de uitkering.
Als een andere schuldeiser beslag legt op de uitkering, verhoogt het college de maandelijkse betalingsverplichting tot 5% van de toepasselijke bijstandsnorm. De vordering van die andere schuldeiser kan dan niet worden afgelost uit de uitkering en moet wachten totdat de vordering van het college is afgelost.
Gaat de inwoner aan het werk en uit de uitkering? Dan blijft de hoogte van de betalingsverplichting zes maanden hetzelfde. Dat stimuleert de inwoner om met de aflossing verder te gaan en helpt om de financiële huishouding op orde te houden. Na afloop van die periode wordt de maandelijkse betalingsverplichting vastgesteld op het bedrag dat voor het andere inkomen geldt.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.2.1
De betalingsverplichting van inwoners met een uitkering
Onderdeel van Beleidsregels terugvordering van bijstand, bedrijfskapitaal, een IOAW- en een IOAZ-uitkering Assen 2025