Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 6

Grondslag (voorwaarde) voor de verwerking van persoonsgegevens

Onderdeel van Privacyreglement Lokale Persoonsgerichte aanpak voor jeugd en volwassenen

NB: Er is bewust voor gekozen om in onderstaand overzicht ook grondslagen op te nemen die gelden voor partners die incidenteel als agendadeelnemer deel kunnen nemen. De grondslag voor de verwerking van persoonsgegevens door de partners op grond van dit reglement, zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 a tot en met f van de AVG of expliciet anders vermeld, is: voor het gemeentelijk bestuursorgaan de burgemeester gelegen in de uitoefening van het openbaar gezag van de burgemeester op het terrein van de handhaving van de openbare orde zoals beschreven in artikel 172 e.v. Gemeentewet juncto artikel 38b en 39 Politiewet 2012, en in de bevoegdheden die door de gemeenteraad aan de burgemeester zijn toegekend op grond van artikel 151d en artikel 154a Gemeentewet; voor het gemeentelijk bestuursorgaan het college van burgemeester en wethouders gelegen in de vervulling van de taken van openbaar gezag in het bijzonder taken in het sociaal domein alsmede werk en inkomen zoals omschreven in de Jeugdwet artikelen 2.3 en 2.4, de Wmo 2015 artikelen 2.3.1 t/m 2.3.5, de Participatiewet artikel 7.1 en de Wet schuldhulpverlening artikel 3; voor de politie gelegen in het uitoefenen van taken in het algemeen belang op het terrein van de vervulling van de politietaak, te weten de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze hulp behoeven, zoals omschreven in artikel 3 van de Politiewet. De grondslag voor verwerking van politiegegevens is gelegen in de Wet politiegegevens (Wpg) en het Besluit politiegegevens. De grondslag voor de structurele verstrekking van artikel 8- en artikel 13- politiegegevens aan het college van B&W is gelegen in het Ministerieel Machtigingsbesluit op grond van artikel 18 Wet politiegegevens. In het PGA-overleg mag de politie toelichten wat er op grond van art. 18 met het college is gedeeld; voor instellingen voor reclassering is de grondslag gelegen in het uitoefenen van taken van algemeen belang zoals omschreven in artikel 8 lid 1 van de Reclasseringsregeling 1995; voor de Raad voor de Kinderbescherming gelegen in het uitoefenen van taken in het algemeen belang op het terrein van het beschermen van minderjarigen tegen ernstige bedreigingen van hun ontwikkeling of hun veiligheid en gezondheid zoals o.m. omschreven in het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering, het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, het Besluit Tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994 en de Jeugdwet. Met inachtneming van het Kwaliteitskader 2016 van de Raad voor de Kinderbescherming; voor Veilig Thuis gelegen in de vervulling van een taak van algemeen belang, te weten de taken van het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling zoals benoemd in artikel 4.1.1 Wmo 2015, met inachtneming van het handelingsprotocol Veilig Thuis; voor Regionaal Bureau Leerplicht gelegen in de vervulling van een taak in het kader van de uitoefening van openbaar gezag, namelijk het toezien op en handhaven van de leerplicht als bedoeld in de Leerplichtwet 1969; voor een Gecertificeerde Instelling zoals bedoeld in de Jeugdwet artikel 1.1 gelegen in de goede uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering zoals bedoeld in de Jeugdwet artikel 1.1; voor een instelling voor Geestelijke Gezondheidszorg gelegen in de uitvoering van de taken bij behandeling, verpleging, verzorging en bejegening van personen met een psychische stoornis, inclusief verslaving met of zonder verblijf in het kader van de Wgbo of de WvGGZ (per 1 januari 2020), en zoals bedoeld in artikel 9 van de AVG; voor een GGD gelegen in de uitvoering van de taken in het kader van de OGGZ op grond van artikel 1.2.1 sub a Wmo 2015; voor de Dienst Justitiële Inrichtingen gelegen in de uitvoering van taken van de minister van Justitie en Veiligheid, de selectiefunctionaris en de directeur van een justitiële inrichting, op grond van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, de Penitentiaire beginselenwet en de Wet forensische zorg. De wettelijke grondslag voor de verwerking en verstrekking van persoonsgegevens is na inwerkingtreding van de wijziging van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) ter implementatie van de Europese richtlijn Gegevensbescherming opsporing en vervolging gelegen in de Wjsg; voor een aanbieder zoals bedoeld in de Wmo 2015 artikel 1.1.1, een zorgaanbieder zoals bedoeld in de Wlz artikel 1.1.1, dan wel een jeugdhulpaanbieder zoals bedoeld in de Jeugdwet artikel 1.1 gelegen in de verlening van voorzieningen en/of de uitvoering van zorg- dan wel hulpverleningstaken en voor zover dit noodzakelijk is in het kader van de behandeling of hulpverlening; voor de overige partners gelegen in een taak van algemeen belang of het gerechtvaardigd belang dat deze partners hebben, gelet op hun statutaire doelstellingen, bij de verwerking van persoonsgegevens van betrokkenen. Partners die op grond van de wet toestemming van de inwoner nodig hebben voor het uitvoeren van een behandeling of het verlenen van hulp, dragen er zelf zorg voor dat deze toestemming wordt verkregen ten behoeve van deelname aan de persoonsgerichte aanpak, voordat zij tot deelname over gaan. Mochten zij geen toestemming voor deze deelname krijgen, of mochten zij tot het oordeel komen dat zij deze toestemming niet kunnen vragen, dan komen zij zelf tot een professionele afweging of het niet toch aangewezen is om deel te nemen. Partners die op grond van de wet in verband met hun zorg- of hulpverleningsrelatie met de inwoner een in vrijheid en gericht gegeven toestemming nodig hebben voor het verstrekken van persoonsgegevens aan de andere partners of aan agendadeelnemers, dragen er zelf zorg voor dat deze toestemming wordt verkregen voordat zij tot gegevensverstrekking over gaan. Mochten zij geen toestemming voor deze gegevensverstrekking krijgen, of mochten zij tot het oordeel komen dat zij deze toestemming niet kunnen vragen, dan komen zij zelf tot een professionele afweging of niet toch, ondanks het ontbreken van toestemming, persoonsgegevens aan een of meer partners dienen te worden verstrekt, gelet op de zwaarwegende belangen die de inwoner of een ander heeft bij deze verstrekking. Zij maken deze afweging conform de wetgeving en de interne regelgeving die op hen van toepassing is. De verwerking van categorieën bijzondere persoonsgegevens alsmede persoonsgegevens over strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten, vindt uitsluitend plaats indien en voor zover de AVG, de Uitvoeringswet AVG, de Wet politiegegevens, de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en de overige wetten waaraan de partners gebonden zijn dit toestaan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel