Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk XII

Artikel 35

Artikel 35

Onderdeel van Gemeenschappelijke regeling Promen

1.. Een deelnemend college kan uit de regeling treden door toezending aan het algemeen bestuur van het daartoe strekkende besluit. 2.. De uittreding treedt in werking vijf jaar na het verstrijken van het jaar, waarin de uittredingsbesluiten zijn genomen. 3.. Het algemeen bestuur is bevoegd een algemene regeling vast te stellen omtrent de financiële en andere gevolgen van eventuele uittreding. 4.. Een uitgetreden college blijft voor de inwoners van de betrokken gemeente die op grond van de Wet sociale werkvoorziening zijn aangesteld in dienst van Promen de bijdrage verschuldigd bedoeld in art. 30, leden 6,7 en 8 respectievelijk art. 31 lid 5. 5.. Het algemeen bestuur stelt in geval van een uittreding de overige financiële en andere gevolgen van de uittreding vast bij besluit, waarbij als uitgangspunt geldt dat het uittredende college in ieder geval de schade van Promen en de overblijvende deelnemende colleges en hun gemeenten dient te vergoeden die het rechtstreekse gevolg is van de uittreding. Onder schade wordt verstaan de directe, onvermijdelijke en niet te mitigeren schade die door uittreding van het uittredende college ontstaat. Op de betrokken partijen rust de verplichting om schade als gevolg van de uittreding zoveel mogelijk te voorkomen. Redelijke kosten van de uit te voeren onderzoeken en de eventueel in te schakelen deskundigen komen voor rekening van het uittredende college. Het aandeel van het uittredende college in de algemene reserve op de datum van uittreding wordt mede in aanmerking genomen bij het bepalen van de financiële gevolgen. 6.. Het uittredingsplan bevat in ieder geval de volgende elementen: een beschrijving van de consequenties voor de wettelijke en overige taken van de uittredende deelnemer; een beschrijving van de consequenties voor de financiële middelen die zijn gekoppeld aan de uittredende deelnemer; een beschrijving van de consequenties voor de activiteiten die zijn gekoppeld aan de uittredende deelnemer; een beschrijving van eventuele consequenties voor de verbonden partijen van de gemeenschappelijke regeling; een beschrijving van consequenties voor lopende subsidies, opdrachten, leningen en overige verplichtingen; een beschrijving van consequenties voor de structurele organisatielasten, waaronder personeels- en huisvestingslasten; de financiële gevolgen, of de wijze waarop deze worden berekend. 7.. Een deelnemend college dat wil uittreden is bevoegd om voorafgaand aan een besluit tot uittreding zoals bedoeld in lid 1, een voornemen tot uittreding kenbaar te maken. Op basis van dit voornemen stelt het algemeen bestuur het ontwerp voor een uittredingsplan vast dat de gevolgen van de uittreding regelt zoals bedoeld in lid 5. 8.. De besluiten zoals bedoeld in lid 5 (tot vaststelling van de gevolgen van de uittreding) en lid 7 (tot vaststelling van het ontwerpuittredingsplan) zijn besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Conform artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen staat tegen deze besluiten beroep bij GS en vervolgens de bestuursrechter open. 9.. Indien een ontwerpuittredingsplan is vastgesteld overeenkomstig lid 7, wordt het besluit zoals bedoeld in lid 5 vastgesteld overeenkomstig het ontwerpuittredingsplan. Tegen onderdelen van het ontwerpuitredingsplan waarover de bestuursrechter reeds uitspraak heeft gedaan, kunnen in een beroepsprocedure over een besluit zoals bedoeld in lid 5 niet opnieuw gronden worden aangevoerd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel