Het concreet benoemen wanneer sprake is van ‘levensgedrag’ op dusdanige wijze dat dit van invloed is op het exploiteren van een horecaonderneming is moeilijk te benoemen of te definiëren. Vanwege de diversiteit in (stafbare) feiten en gedragingen die hierin een rol kunnen spelen, zijn geen standaardcriteria op te stellen. In sommige gevallen kan één gedraging voldoende zijn om te spreken van slecht levensgedrag.
In andere gevallen kunnen meerdere gedragingen op zichzelf staand onvoldoende zijn, maar in onderlinge samenhang wel leiden tot het oordeel dat sprake is van slecht levensgedrag. Dit vraagt om maatwerk bij iedere beoordeling.
Toelichting
Exploitanten, leidinggevenden en beheerders hebben een belangrijke verantwoordelijkheid voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de onderneming en de openbare orde en veiligheid. Zij dienen verstoring van de openbare orde, zoals overlast, criminaliteit, geweld en alcoholmisbruik (en andersoortige verdovende middelen) te voorkomen en te beperken. Daarnaast zijn zij verantwoordelijk voor (de veiligheid van) hun personeel, bezoekers en de directe omgeving van de onderneming en voor het signaleren en melden van misstanden, waaronder mensenhandel en uitbuiting.
Voor meerdere vergunningen die de burgemeester op grond van de Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Barendrecht en de Alcoholwet kan verlenen, geldt daarom dat exploitanten, leidinggevenden en beheerders ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’ mogen zijn. Bij de invulling van dit criterium komt de burgemeester beoordelingsruimte toe. Per geval moet hij onderbouwen welke feiten of omstandigheden reden zijn om het levensgedrag tegen te werpen.
Deze beleidsregel geeft een nadere invulling van het begrip ‘levensgedrag’ zoals opgenomen in de APV en de Alcoholwet. Zij bevat een uiteenzetting van de gegevensbronnen die de burgemeester raadpleegt en de wijze waarop die informatie wordt betrokken bij de besluitvorming.
Toepassing van de toets op levensgedrag, is een preventieve toets om risico’s voor de openbare orde en veiligheid of het goede woon- en leefklimaat te beperken. Slecht levensgedrag is een (zelfstandige) grond om de vergunning te weigeren of in te trekken, te weigeren om leidinggevenden of beheerders bij te schrijven op de vergunning of om extra voorwaarden aan de vergunning te verbinden.
Op basis van de Dienstenrichtlijn dienen de criteria in deze beleidsregel duidelijk en ondubbelzinnig, objectief en vooral openbaar bekend gemaakt te worden. De randvoorwaarden zijn dat bij de beoordeling van het levensgedrag:
- - Relevantie: Enkel feiten en omstandigheden worden meegewogen die relevant zijn voor de aanvraag/ het betreffende bedrijf;
- - Kenbaarheidsvereiste: de betrokkene vooraf had kunnen weten waaraan voldaan moet worden;
- - Evenredigheidsbeginsel: de beoordeling mag niet verder gaan dan nodig is voor het waarborgen van de openbare orde en veiligheid en het woon- en leefklimaat in de buurt.