Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.2

Artikel 3.2.3

Locatiebepaling

Onderdeel van Nota Ruimtelijke Beleidsregels Kleinschalige Duurzame Energie

Een kleinschalig grondgebonden zonnestroomsysteem dient achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw te worden geplaatst Indien het kleinschalige grondgebonden zonnestroomsysteem buiten het bestemmingsvlak dan wel agrarisch bouwvlak wordt geplaatst, dient deze aansluitend aan het bestemmingsvlak te worden geplaatst, tot maximaal 30 m achter het bestemmingsvlak danwel bouwvlak Een omgevingsvergunning voor een kleinschalig grondgebonden zonnestroomsysteem kan alleen verleend worden indien: geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de landschappelijke en/of natuurlijke waarden; Bestaande doorzichten naar het achtergelegen landschap mogen niet onnodig worden belemmerd een landschappelijk inpassingsplan dient deel uit te maken van de aanvraag waarbij rekening gehouden is met de kenmerken van het landschap: geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de archeologische en cultuurhistorische waarden: het initiatief mag geen onevenredige afbreuk doen aan waardevolle historische omgeving (zowel bebouwd als onbebouwd), waarbij in elk geval geldt dat realisatie binnen gronden met de bestemmingen Waarde - Archeologie geldt dat omgevingsvergunning uitsluitend kan worden verleend indien daartegen uit hoofde van de bescherming van de archeologische en/of cultuurhistorische waarde geen bezwaar bestaat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de verkeersveiligheid; Indien er bij plaatsing in de buurt van een openbare weg een kans bestaat op verkeershinder door het zonnestroomsysteem, dient in de aanvraag onderbouwd te worden welke maatregelen worden genomen om dit te voorkomen. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de externe veiligheid; de bekabeling dient op een veilige manier in de grond te worden weggewerkt. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat- en bebouwingsbeeld; In het kader van de beoordeling van de aanvraag omgevingsvergunning wordt bezien of de opstelling voldoet aan redelijke eisen van welstand. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van bestaande omliggende functies. Deze mogen door het zonnestroomsysteem niet worden belemmerd geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de bodemkwaliteit en waterkwaliteit; Voor panelen op de grond geldt maximaal 2/3 bedekking met panelen en minimaal 1/3 van de grond tussen de rijen panelen vrij houden. Voor voldoende lucht, licht en water voor het behoudt van de bodemkwaliteit Voor panelen (drijvend) op het water geldt maximaal 50% van het water mag bedekt worden door het zonnestroomsysteem voor het behoudt van een goede waterkwaliteit

Rechtspraak bij dit artikel