Uitgangspunten bij toepassing voor:
Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen (exclusief carport):
Als het een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan betreft op het zij- en of achtererf (inclusief hoeksituaties), wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
het bijbehorend bouwwerk staat ten minste 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan;
de goothoogte is niet meer dan 3,2 m. Indien de goothoogte van het hoofdgebouw lager is dan 3,2 m. geldt de goothoogte van het hoofdgebouw als maximum;
de bouwhoogte is niet meer dan 6 m. Indien het hoofdgebouw lager is dan 6 m. geldt de bouwhoogte van het hoofdgebouw als maximum;
Indien het bijbehorende bouwwerk wordt voorzien van een kap moet de kapvorm en dakhelling een afgeleide zijn van het hoofdgebouw met een maximale dakhelling van 60˚ graden;
de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken op het bouwperceel mag niet meer zijn dan:
als het bebouwbaar erf kleiner dan of gelijk is aan 100 m2: 50% van het bebouwbaar erf;
als het bebouwbaar erf groter is dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk is aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwbaar erf dat groter is dan 100 m2; of
als het bebouwbaar erf groter is dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwbaar erf dat groter is dan 300 m2 en tot een maximum van 150 m2;
indien bebouwing binnen de bebouwde kom, gedeeltelijk of geheel, is gelegen binnen een bouwvlak voor hoofdgebouwen telt deze oppervlakte niet mee bij de bepaling van de totale oppervlakte zoals bepaald onder e.;
binnen de bebouwde kom mag het deel van het bouwperceel dat behoort tot het bebouwbaar erf en buiten het bouwvlak voor een hoofdgebouw ligt, voor niet meer dan 50% worden bebouwd;
buiten de bebouwde kom mag het deel dat conform het omgevingsplan in aanmerking komt voor bebouwing (bouwperceel) voor niet meer dan 50% worden bebouwd.
bij het bepalen van de oppervlakte zoals bedoeld onder e. wordt de oppervlakte van carports niet meegerekend;
een bijbehorend bouwwerk in een zijerf gelegen aan (langs) het openbare gebied is alleen toegestaan als aan de achterzijde van het perceel geen sprake is van een voortuin situatie van een andere woning;
buiten de bebouwde kom is de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 3 m. Hiervan kan afgeweken worden indien het stedenbouwkundig beeld en de verkeersveiligheid niet worden aangetast. Indien noodzakelijk kan landschappelijke inpassing gevraagd worden;
buiten de bebouwde kom moet de afstand van de bebouwing tot de woning stedenbouwkundig aanvaardbaar zijn. Er moet sprake zijn van geclusterde bebouwing.
Sloop-nieuwbouw van een bijbehorend bouwwerk in het buitengebied
Indien op een groot perceel één of meerdere bijbehorende bouwwerken legaal aanwezig zijn met een totale oppervlakte van meer dan 150 m² is herbouw/nieuwbouw mogelijk indien voldaan wordt aan onderstaande voorwaarden:
de oppervlakte van het bebouwbaar erf is meer dan 900 m2;
als de oppervlakte van de in totaal aanwezige bijbehorende bouwwerken ten tijde van de vergunningaanvraag groter is dan 150 m2, maar niet groter dan 200 m2, mag het volledige te slopen oppervlak worden ingezet voor herbouw/nieuwbouw;
als de oppervlakte van de in totaal aanwezige bijbehorende bouwwerken ten tijde van de vergunningaanvraag groter is dan 200 m2, is voor het te herbouwen aantal m² boven de 200 een kwaliteitsverbetering noodzakelijk. In totaal mag er nooit meer dan 400 m2 worden herbouwd. Voor het bepalen van de kwaliteitsverbetering is een richtlijn opgesteld dat is terug te vinden in bijlage 3 Regeling “Sloop-nieuwbouw bijbehorend bouwwerk buitengebied”. Met deze regeling is het niet toegestaan om extra m² bijgebouw te kopen;
de goothoogte is niet meer dan 3,2 m.
in afwijking van de goothoogte onder d. is alleen een goothoogte van 4 m. toegestaan aan de zijde van het bijbehorende bouwwerk dat ten opzichte van de perceelsgrens naar de binnenzijde van het erf gericht is. Aan de perceelsgrens zijde is de goothoogte dus nooit meer dan 3,2 m.
voor de regels die niet in dit artikel zijn bepaald wordt aangesloten bij artikel 4.1 onder 1.
Een carport
Een carport moet voldoen aan de volgende voorwaarden:
de carport wordt gebouwd op het zijerf, in of achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw;
minimaal aan één zijde aan de woning gebouwd. Dit is geen vereiste buiten de bebouwde kom;
minimaal aan 2 zijden open tenzij de carport aan een derde zijde aan de zijgevel van een gebouw op het belendende perceel wordt gebouwd;
de bouwhoogte is maximaal 3 meter;
de oppervlakte mag binnen de bebouwde kom maximaal 20 m² bedragen;
de oppervlakte mag buiten de bebouwde kom maximaal 30 m² bedragen;
de carport is bereikbaar vanaf het openbare gebied;
indien de carport niet voldoet aan bovenstaande regels kan hiervoor ook worden aangesloten bij de regels uit artikel 4.1 onder 1. maar dan moet de oppervlakte wel voldoen aan de regels onder e. en f. of g. en h.
Een kleine uitbouw aan de voorzijde van een woning (hoofdgebouw)
Voor het bouwen van een uitbouw gelden de volgende regels:
de bouwdiepte mag niet meer dan 1,5 m bedragen inclusief de overstek, met dien verstande dat de afstand tot de grens met het openbare gebied minimaal 2,5 meter bedraagt;
de breedte mag niet meer bedragen dan 2/3 van de breedte van de voorgevel van de woning;
de bouwhoogte is maximaal 3,0 m.
Een overkapping/luifel aan de voorzijde van een woning (hoofdgebouw)
Met deze afwijking wordt bedoeld eventuele overkappingen/luifels in het verlengde van een erker of uitbouw tot boven de voordeur of alleen een overkapping/luifel boven de voordeur.
de bouwdiepte mag niet meer dan 1,5 m bedragen inclusief overstek, met dien verstande dat de afstand tot de grens met het openbare gebied minimaal 2,5 meter bedraagt;
de oppervlakte is maximaal 3,0 m²;
de bouwhoogte is maximaal 3,0 m.
Hoofdstuk 4.
Artikel 4.1
Bijbehorende bouwwerken
Onderdeel van Beleidsregel ‘Planologische buitenplanse afwijkingen van het omgevingsplan Oirschot (Bopa)’