1.. Een aanvraag voor een individuele voorziening wordt door een belanghebbende schriftelijk ingediend bij het college door middel van een daartoe door het college ter beschikking gesteld aanvraagformulier.

2.. Een aanvraag voor een individuele voorziening kan ook worden ingediend door ondertekening van het ondersteuningsplan als bedoeld in artikel 2.7 lid 11 van deze verordening.

3.. Bij de aanvraag voor ondersteuning in de vorm van een Pgb dient een aanvraagformulier of ondertekend ondersteuningsplan, een zorgplan, bewijsstukken waaruit blijkt dat aan de vereiste kwaliteitseisen voor jeugdhulp wordt voldaan (zoals diploma) en een geldige VOG van de directe en vervangende zorgverlener overlegd te worden aan het college.

4.. Het college wijst de cliënt voor het onderzoek op de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 2.5 van de Wet en van gratis cliëntondersteuning als bedoeld in artikel 2.2.4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

5.. Indien de cliënt in geval van een aanvraag voor een Pgb een Pgb-beheerder heeft gemachtigd, dan zal het college deze Pgb-beheerder in het beoordelen van de aanvraag betrekken en daarmee minstens eenmaal een gesprek laten plaatsvinden, alvorens over te gaan tot besluitvorming op de aanvraag tot verstrekking van een voorziening in de vorm van een Pgb.

6.. In afwijking van de voorgaande leden kan het college in het dringende belang van de cliënt besluiten om een individuele voorziening ambtshalve te verstrekken, indien en zolang het niet mogelijk is dat hiervoor door of namens de cliënt een aanvraag wordt ingediend.