1.. De Jeugdwet heeft het doel de eigen kracht van de jeugdige en het zorgend en probleemoplossend vermogen van diens gezin en sociale omgeving te versterken (Tweede Kamer, vergaderjaar 2012/13, 33 684, nr. 3, pagina 2). Hierbij past een actieve rol van de ouders en de jeugdige om in eerste instantie te trachten de op hun weg komende problemen zelf of met behulp van hun eigen netwerk op lossen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2012/13, 33 684, nr. 3, pagina 2). Deze uitgangspunten zijn (ook) in artikel 2.1 van de Wet verankerd; de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf en er moet worden uitgegaan van de eigen kracht van de jeugdige, zijn ouder(s) en het sociale netwerk.

2.. Het college weegt bij het onderzoek uit artikel 2.7 van deze verordening mee dat ouders naast het recht ook een plicht hebben om hun minderjarig kind te verzorgen en op te voeden (art. 1:247 van het Burgerlijk Wetboek) en de kosten van die verzorging en opvoeding te dragen (art. 1:82 Burgerlijk Wetboek). Dit geldt ook als sprake is van een minderjarig kind met een ziekte, aandoening of beperking en dat de hulp die deze minderjarige, in beginsel daarvoor nodig heeft, ook door hen geleverd kan worden. De zorgplicht van ouder(s) strekt zich in ieder geval uit over: verzorging, toezicht, begeleiding en opvoeding die een ouder(s) normaal gesproken geeft/geven aan het kind passend bij de leeftijd en/of het ontwikkelingsniveau van het kind. Dat betekent ook dat als één van de ouders uitvalt, de andere ouder dit overneemt. Verder behoren ouders hun kinderen een passend leefklimaat te bieden in een veilige en stimulerende opvoedomgeving. De zorgplicht van ouders voor kinderen draagt bij aan het gezond en veilig kunnen opgroeien, het groeien naar zelfstandigheid en het voldoende zelfredzaam worden en maatschappelijk kunnen participeren.

3.. In het onderzoek naar de hulpvraag weegt het college mee wat de oorzaak achter de hulpvraag van de cliënt is. Het uitgangspunt is om zo veel als mogelijk te normaliseren. Dit wil zeggen dat gekeken wordt welke hulpvragen en problemen in het algemeen beschouwd kunnen worden als horende bij de ontwikkeling van een jeugdige gelet op de ontwikkelingsfase waarin deze zich bevindt. Voor normaliseren geldt:

  • - Kwetsbaarheid, problemen en tegenslagen horen bij het leven. Jeugdhulp is bedoeld voor hulpvragen die de oorzaak hebben in gedrags- of opvoedproblematiek, psychische problemen of stoornissen die uitmonden in problemen in het dagelijks leven en die niet behoren tot de ontwikkelingsfase waarin de jeugdige zich bevindt. Kinderen opvoeden kost tijd en energie. Dat geldt voor alle kinderen en daarbij verschilt het per kind hoeveel tijd en energie dit kost;
  • - Het is normaal dat kinderen soms lastig en afwijkend gedrag vertonen;
  • - Het uitgangspunt is door het versterken van opvoedvaardigheden en de kennis over opvoeden de acceptatie van de jeugdhulpvraag of beperking door ouders te vergroten;
  • - Er wordt rekening gehouden met de context. Dit betekent dat het gezinssysteem onderdeel is van de beoordeling van de hulpvraag en er naar de omgeving van de cliënt wordt gekeken;
  • - Jeugdhulp wordt slechts (tijdelijk) ondersteunend ingezet in gevallen waarin het de cliënt het tijdelijk zelf of met behulp van andere oplossingen niet lukt en de ontwikkeling (algehele ontwikkeling passend bij leeftijd en/of ontwikkelingsniveau) en veiligheid (fysieke en/of mentale veiligheid) van de jeugdige belemmerd wordt.

4.. Onder eigen mogelijkheden wordt verstaan: het vermogen van ouders en kinderen om zelf feitelijk hun leven vorm te geven.

5.. Onder probleemoplossend vermogen wordt verstaan: het vermogen om zelf of met behulp van anderen, zoals het sociaal netwerk en/of andere voorzieningen, te herkennen en erkennen (begrijpen) dat problemen bestaan om vervolgens zelf te kunnen komen tot het treffen van maatregelen om deze problemen op te lossen. Hieronder wordt onder andere verstaan het kunnen signaleren en analyseren en oplossingsgericht kunnen denken en handelen.

6.. Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden worden alle relevante feiten en omstandigheden meegewogen. Het gaat dan onder meer om de behoefte en de mogelijkheden van de cliënt, de voor hem/haar benodigde ondersteuningsintensiteit en de duur daarvan, de mogelijkheden, draagkracht en de belastbaarheid van ouder(s), de samenstelling van het gezinssysteem en de woonsituatie en het belang van de ouder(s) om te voorzien in een inkomen.

7.. Het college onderzoekt bij de beoordeling of er sprake is van eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen om de noodzakelijke hulp voor de jeugdige te bieden de volgende factoren:

  • - Is de ouder (eventueel met hulp uit het sociaal netwerk en/of andere voorzieningen) in staat de noodzakelijke hulp te bieden?
  • - Is de ouder (eventueel met hulp uit het sociaal netwerk en/of andere voorzieningen) beschikbaar om de noodzakelijke hulp te bieden?
  • - Levert het bieden van de hulp door de ouder(s) geen overbelasting op?
  • - Blijft de ouder (eventueel met hulp uit het sociaal netwerk en/of andere voorzieningen) de hulp bieden en zo ja, komt de ouder daardoor niet in de problemen?

Als uit onderzoek blijkt dat de ouder(s) (eventueel met hulp uit het sociaal netwerk en/of andere voorzieningen) zelf een oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag zonder dat dit tot problemen leidt op één van deze terreinen, dan is er sprake van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht)..

8.. Als ouders redelijkerwijs een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp aan de jeugdige wordt van hen verwacht dat ze hier gebruik van maken. Als personen uit het sociale netwerk van de jeugdige en/of ouder(s) kunnen bijdragen aan het verminderen of oplossen van de hulpvraag van de cliënt wordt dit ook gezien als het aanspreken van 'eigen kracht'. Het college verstrekt hiervoor geen individuele voorziening.

9.. Bij de afwegingsfactoren voor het onderzoek naar de eigen kracht, zoals benoemd in het zesde lid wordt gekeken naar de volgens het college noodzakelijk geachte ondersteuningsbehoefte van de jeugdige. Dat de ondersteuning van de jeugdige met een beperking als bedoeld in de Wet meer is dan normaal bij kinderen van eenzelfde leeftijd en/of ontwikkelingsniveau maakt niet dat inzet van een individuele voorziening om deze reden noodzakelijk is. Het college onderzoekt in het kader van het onderzoek naar de eigen kracht of feitelijk sprake is van eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen om de hulp te bieden die de cliënt naar het oordeel van het college nodig heeft.

10.. Ouders behouden na scheiding de zorg- en opvoedplicht voor hun kind. Het college houdt daarom, in het geval van gescheiden ouders, bij het onderzoek naar de eigen kracht ook rekening met de ouder waar de jeugdige niet woonachtig is.

11.. Overbelasting wijst op een verstoring van het evenwicht tussen draagkracht en draaglast, waardoor fysieke en/of psychische klachten ontstaan. Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de hulp aan de jeugdige. Een beroep op overbelasting moet door de ouder(s) aannemelijk worden gemaakt en zo nodig nader worden onderbouwd. Is dat door de ouder(s) aannemelijk gemaakt, dan rust de plicht op het college om daar verder onderzoek naar te doen. Is de (dreigende) overbelasting vastgesteld en kan van de ouder(s) niet worden verwacht deze op te heffen, dan zijn de eigen mogelijkheden van de desbetreffende ouder ontoereikend.

12.. In situaties waarbij ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in deze verordening, komt een jeugdige of zijn ouder(s) niet in aanmerking voor een door het college te verlenen individuele voorziening als bedoeld in deze verordening.

13.. Het voorgaande lid is niet van toepassing als er parallel aan een hulpvraag sprake is van meervoudige problematiek in de context van het gezin die onder de reikwijdte van de jeugdhulpplicht valt.

14.. Voor zover het ontbreken van eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten of een vorm van werk, hanteert het college het uitgangspunt dat in beginsel het verlenen van zorg aan een kind voor gaat op het uitvoeren van maatschappelijke activiteiten of een vorm van werk. Het verminderen of anders organiseren van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt in dit geval van de ouder/verzorger verwacht.

15.. Onder eigen kracht valt ook het door de cliënt aanspreken van een aanvullende verzekering in het kader van de Zorgverzekeringswet als die is afgesloten.

16.. Het college treft geen individuele voorziening als de eigen mogelijkheden en/of het probleemoplossend vermogen van de cliënt toereikend zijn om de hulpvraag van de cliënt op te lossen.

17.. Het college kan het onderzoek naar de eigen kracht nader uitwerken.