1.. Het college kent een Pgb voor informele hulp alleen toe als:

  • - Wordt gemotiveerd waarom de inzet van informele hulp leidt tot een gelijk of beter resultaat dan de inzet van professionele hulp;
  • - De persoon die de informele hulp verleent voldoet aan de minimale kwaliteitseisen die zijn opgenomen in bijlage 2 van deze verordening;
  • - De persoon die de informele hulp verleent beschikt over de voor de hulpvraag benodigde competenties, kennis en vaardigheden om adequate hulp te bieden;
  • - De persoon die de informele hulp verleent geen deel uitmaakt van de problematiek waarvoor de jeugdhulp ingezet wordt;
  • - Er geen sprake is van het creëren of in stand houden van een afhankelijkheidsrelatie;
  • - Het zorgplan voldoet aan de eisen zoals bepaald in artikel 5.3 van deze verordening; en
  • - De ondersteuning aan de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet leidt tot overbelasting bij de persoon die de informele hulp verleent.

2.. Het college weigert een Pgb voor een informele hulp als de hulp op grond van het afwegingskader in het door het SKJ vastgestelde Kwaliteitskader Jeugd, geboden moet worden door een (geregistreerde) professional.

3.. Het college kan de criteria voor informele hulp nader uitwerken.