1.. De Wmo 2015 heeft het doel dat inwoners zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven en inwoners die beschermd wonen of maatschappelijke opvang ontvangen, een veilige woonomgeving te bieden zodat zij, indien mogelijk, weer in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

2.. Als uitgangspunt van de Wet geldt dat zelfredzaamheid en meedoen in de samenleving de verantwoordelijkheid is van mensen zelf (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 841, nr. 3, pagina 10 en 27). Uitgangspunt is dat iedere ingezetene eerst kijkt wat hij/zij zelf kan doen, wat zijn sociale omgeving voor hem/haar kan doen, en deze dan ook levert als dat mogelijk is, of wat hij/zij zelf voor een ander kan doen. Daarom wordt in het onderzoek naar de hulpvraag gekeken naar wat de cliënt nog wel kan of zelf kan organiseren eventueel met hulp van het sociaal netwerk, gebruikelijke hulp, mantelzorg collectieve, algemene en/of voorliggende voorzieningen om zijn/haar zelfredzaamheid en participatie te vergroten (eigen kracht).

3.. Onder eigen kracht wordt verstaan: het vermogen van de cliënt om zelf zijn leven feitelijk vorm te geven en problemen op te lossen. Hieronder wordt verstaan het vermogen van de cliënt om zelf, of met behulp van anderen zoals het sociaal netwerk, gebruikelijke hulp, mantelzorg en/of andere voorzieningen (bijvoorbeeld collectieve, algemene en/of voorliggende voorzieningen), te herkennen en erkennen (begrijpen) dat problemen bestaan om vervolgens zelf te kunnen komen tot het treffen van maatregelen om deze problemen op te lossen en/of te verbeteren. Dit met het uiteindelijke doel om niet of zo min mogelijk aangewezen te raken op maatschappelijke ondersteuning.

4.. Het college onderzoekt bij de beoordeling of er sprake is van eigen kracht de volgende factoren:

  • - Is de cliënt (eventueel met hulp uit het sociaal netwerk, gebruikelijke hulp, mantelzorg en/of andere (bijvoorbeeld collectieve en/of algemene en/of voorliggende) voorzieningen) in staat om zijn hulpvraag te herkennen?
  • - Is de cliënt (eventueel met hulp uit het sociaal netwerk, gebruikelijke hulp, mantelzorg en/of andere (bijvoorbeeld collectieve en/of algemene en/of voorliggende) voorzieningen) redelijkerwijs in staat om de noodzakelijke hulp te regelen om zijn hulpvraag op te lossen?
  • - Zo ja, komt de cliënt daardoor niet in de problemen?

5.. Als uit onderzoek blijkt dat de cliënt, eventueel met hulp uit het sociaal netwerk, gebruikelijke hulp, mantelzorg en/of andere (bijvoorbeeld collectieve en/of algemene en/of voorliggende) voorzieningen of technologieën, een oplossing kan vinden voor de hulpvraag dan is er sprake van voldoende eigen kracht.

6.. Als de client een beroep kan doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp om daarmee zijn zelfredzaamheid en/of participatiemogelijkheden te vergroten, wordt van hem/haar verwacht dat hij/zij hier gebruik van maakt.

7.. De ondersteuning die het sociale netwerk normaliter biedt en/of redelijkerwijs bieden kan, valt onder de eigen kracht. Het college verstrekt hiervoor geen maatwerkvoorziening.

8.. Het college treft geen maatwerkvoorziening als de eigen kracht van de cliënt toereikend is om de hulpvraag van de cliënt op te lossen.

9.. Het college kan het onderzoek naar de eigen kracht nader uitwerken.