De lokale toegang onderzoekt in een gesprek of gesprekken met de jeugdige of zijn ouder of de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder ontoereikend zijn om hulp, zorg en ondersteuning aan de jeugdige te bieden naar aard en omvang voor de tijdens het gesprek of gesprekken vastgestelde problemen en stoornissen.
Als de jeugdige en/of zijn ouders een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de wet hebben opgesteld, betrekt de lokale toegang dat als basis bij het gesprek.
De lokale toegang verzamelt voorafgaand aan of tijdens het gesprek met de jeugdige of zijn ouders de noodzakelijke gegevens over de jeugdige en zijn situatie.
De jeugdige en/of zijn ouders verstrekken aan de lokale toegang voorafgaand aan of tijdens het gesprek alle overige gegevens, die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen.
De lokale toegang en de jeugdige en/of zijn ouders leggen de uitkomsten van het gesprek en eventuele andere informatie vast in een perspectiefplan.
In het perspectiefplan kunnen afspraken worden opgenomen over de wijze en het moment waarop de resultaten van het perspectiefplan met de jeugdige en/of zijn ouders, de lokale toegang en de jeugdhulpaanbieder worden geëvalueerd.
Het perspectiefplan, dan wel de weergave ervan in een gespreksverslag, wordt door de lokale toegang opgeslagen in de eigen administratie.
Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de inhoud van het perspectiefplan en de wijze waarop het gesprek zoals bedoeld in dit artikel gevoerd wordt.
Artikel 3.7Criteria en afwegingsfactoren bij de toekenning van individuele voorzieningen
Het college kent een individuele voorziening toe indien en voor zover in het gesprek en perspectiefplan zoals bedoeld in artikel 3.6 vastgesteld is dat:
een individuele voorziening aangewezen is gezien de aard en ernst van de ondersteuningsvraag;
de jeugdige op eigen kracht, of met zijn ouder(s) of andere personen uit zijn sociaal netwerk, geen afdoende oplossing voor zijn ondersteuningsvraag kan vinden zoals bedoeld in artikel 3.4;
een algemene voorziening niet adequaat is voor de oplossing van de ondersteuningsvraag;
de jeugdige of de ouders geen aanspraak kunnen maken op een andere (voorliggende) voorziening om de ondersteuningsvraag te beantwoorden;
er geen sprake is van jeugdhulp met terugwerkende kracht. De gemeente verstrekt geen voorzieningen voor jeugdhulp, onderzoeken, trainingen of andere interventies die door ouders, verzorgers, of jeugdigen op eigen initiatief is ingezet, zonder voorafgaande goedkeuring of indicatie van de gemeente.
Het college neemt het besluit op grond van het gesprek over de ondersteuningsvraag met de jeugdige en/of zijn ouders en het opgestelde perspectiefplan zoals bedoeld in artikel 3.6, en wanneer het gaat om een persoonsgebonden budget, aanvullend op grond van het pgb-plan zoals bedoeld in artikel 3.12.
Het college kan nadere regels vaststellen ter verdere uitwerking van de algemene criteria zoals genoemd in het eerste lid of ter bepaling van specifieke criteria voor bepaalde individuele voorzieningen.
Artikel 3.8 Toegang en besluit
Het college neemt het besluit tot het verlenen van een individuele voorziening op grond van de aanvraag en het perspectiefplan en legt dit vast in een beschikking.
Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.
Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Tevens draagt het college zorg voor de inzet van jeugdhulp die de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI) of de selectiefunctionaris van de JJI nodig acht bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing.