Naar hoofdinhoud

Artikel 10

Bescherming van de melder, degene die de melder bijstaat en betrokken derden tegen benadeling

Onderdeel van Regeling melden vermoeden misstand en inbreuk op Unierecht gemeente Bunnik 2024 (Klokkenluidersregeling)

De werkgever zorgt ervoor dat de melder bij zijn werk op geen enkele wijze nadelige gevolgen ondervindt van de melding. De melder mag tijdens en na de behandeling van een melding van een vermoeden van een misstand niet worden benadeeld, onder de voorwaarde dat hij bij de melding redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de gemelde informatie over het vermoeden van een misstand op het moment van de melding juist is. De melder mag tijdens en na openbaarmaking van een vermoeden van een misstand niet worden benadeeld, onder de voorwaarde dat: de melder redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de gemelde informatie over het vermoeden van een misstand op het moment van de openbaarmaking juist is; de melder voorafgaand aan de openbaarmaking een melding heeft gedaan: bij de werkgever en een bevoegde autoriteit of een bestuursorgaan, dienst of andere bevoegde instantie zoals bedoeld in artikel 2j Wet bescherming klokkenluiders, of rechtstreeks bij een bevoegde autoriteit of een bestuursorgaan, dienst of andere bevoegde instantie als bedoeld in artikel 2j Wet bescherming klokkenluiders, en de melder op basis van de informatie bedoeld in artikel 2e lid 2 sub b Wet bescherming klokkenluiders, dan wel artikel 2k lid 1 Wet bescherming klokkenluiders, redelijke gronden heeft om aan te nemen dat het onderzoek onvoldoende voortgang heeft; De melder mag ook tijdens en na openbaarmaking van een vermoeden van een misstand niet worden benadeeld, onder de voorwaarde, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, en de melder redelijke gronden heeft om aan te nemen dat: de misstand een dreigend of reëel gevaar kan zijn voor het algemeen belang; een risico bestaat op benadeling bij melding aan een bevoegde autoriteit of een andere bevoegde instantie, of het niet waarschijnlijk is dat de misstand doeltreffend wordt verholpen. Onder benadeling wordt in ieder geval verstaan het nemen van een voor de melder nadelige maatregel, zoals: ontslag of schorsing; een boete als bedoeld in artikel 7:650 BW; demotie; het onthouden van bevordering; een negatieve beoordeling; een schriftelijke berisping; overplaatsing naar een andere vestiging; discriminatie; intimidatie, pesterijen of uitsluiting; smaad of laster; voortijdige beëindiging van een overeenkomst voor het leveren van goederen of diensten, en intrekking van een vergunning. Onder benadeling wordt ook verstaan een dreiging met en een poging tot benadeling. Als de werkgever na het doen van een melding een voor de melder nadelige maatregel neemt, motiveert de werkgever waarom hij deze maatregel nodig acht. Ook legt hij uit waarom deze maatregel geen verband houdt met de melding. De werkgever spreekt personen die zich schuldig maken aan benadeling van de melder daarop aan en kan hen een waarschuwing, een disciplinaire maatregel of een sanctie opleggen. Hetgeen in dit artikel is bepaald, geldt ook voor degene die de melder bijstaat, een betrokken derde en de in artikel 3 lid 3 van deze regeling genoemde functionarissen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel