Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6.

Artikel 6.2.

Vergunningstrategie

Onderdeel van VTH-Beleidsplan 2025-2028

Activiteiten die onder de Omgevingswet of lokale regelgeving (zoals de APV) vallen moeten voldoen aan bepaalde voorwaarden. Voor een deel van die activiteiten moet een vergunning worden aangevraagd. Hierbij gaat het om activiteiten die niet als vergunningvrij zijn aangemerkt in de Omgevingswet. Gemeenten hebben de volgende taken als het gaat om vergunningverlening: Het verlenen, weigeren, wijzigen of (gedeeltelijk) intrekken van een vergunning of ontheffing; het behandelen van een melding; het besluiten over maatwerkvoorschriften en/of gelijkwaardigheid (maatregelen die tot eenzelfde beschermingsniveau leiden als de voorschriften beogen); bij nieuwbouw van bedrijfsgebouwen, waar het gaat om het aantal bouwlagen; het afgeven van (bindende) adviezen bij buitenplanse afwijkingen; een besluit nemen over het al dan niet vereisen van een Milieueffect rapportage (MER-beoordeling). Vergunningverlening levert een bijdrage aan het verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en het naleven van de regels die van toepassing zijn. Voor het bepalen van de acceptabele kwaliteit worden de verschillende belangen tussen de voorgenomen activiteiten en de gevolgen voor de fysieke leefomgeving zorgvuldig afgewogen. De belangrijkste toetsingskaders daarbij zijn het omgevingsplan en het Bbl. Vergunningen moeten kwalitatief goed zijn. Dat houdt enerzijds in dat ze voldoende ruimte bieden aan een te nemen initiatief en de omgevingskwaliteit borgen. Anderzijds moet een vergunning de initiatiefnemer de handvatten bieden om de gestelde regels na te leven en moet de vergunning handhaafbaar zijn. Vergunningen die door of namens de gemeenten Stede Broec, Enkhuizen en Drechterland worden verleend, voldoen aan de volgende eisen: De vergunningen zijn gebaseerd op de geldende (landelijke, provinciale en lokale) wet- en regelgeving; De vergunningverlening gebeurt in de geest van de Omgevingswet (“ja tenzij” i.p.v. “nee mits”); Er vindt een integrale afweging plaats; Het vergunningproces is transparant en juridisch correct en wordt binnen de wettelijke termijnen afgerond; De vergunningen zijn opgesteld in heldere taal. Het algemene uitgangspunt is dat de initiatiefnemer een eigen verantwoordelijkheid heeft in het aanleveren van een volledige, dat wil zeggen ontvankelijke, aanvraag. In het kader van de preventiestrategie wordt ervoor gezorgd dat regels voldoende duidelijk zijn. In voorkomende gevallen kunnen de gemeenten c.q. de SED-organisatie besluiten om een Bibob-toets uit te voeren, wanneer er signalen zijn dat de vergunning mogelijk gebruikt wordt om criminele of illegale activiteiten mogelijk te maken. De Bibob-toets wordt uitgevoerd door de afdeling OOV. Door het in werking treden van de Wet kwaliteitsborging vervalt gefaseerd de bouwtechnische toetsing door de gemeente. Dat geldt vooralsnog alleen voor de nieuwbouw van kleinere bouwwerken (woningen, kleine bedrijfspanden etc.). Toetsing vindt door de kwaliteitsborger plaats die een borgingsplan opstelt, dat voor aanvang van de bouw moet worden overlegd. Voor overige bouwwerken blijven de gemeenten verantwoordelijk voor de bouwtechnische toetsing. In bijlage 1 is het werkproces voor vergunningverlening en het behandelen van meldingen in extenso uitgewerkt. In bijlage 2 zijn de beoordelingskaders nader toegelicht.

Rechtspraak bij dit artikel