Het in artikel 2, eerste lid, onder a, gestelde verbod geldt niet indien wordt voldaan aan de volgende algemene voorschriften:
bij het oprichten of in exploitatie nemen van boorputten:
in een boorput wordt ter hoogte van de in de bodem aanwezige slecht doorlatende lagen een degelijke kleiafdichting aangebracht die zich minimaal 0,5 m beneden tot op minimaal 0,5 m boven de aangetroffen slecht doorlatende lagen bevindt;
0,5 m beneden het maaiveld tot minimaal 2 m beneden het maaiveld wordt een kleiafdichting aangebracht;
in afwijking van het bij 2e gestelde wordt bij locaties waar een deklaag aanwezig is een kleiafdichting van ten minste 5 m aangebracht;
tijdens het boren van een put wordt een boorbeschrijving gemaakt die nauwkeurig de bodemopbouw weergeeft en tevens aangeeft op welke diepte of diepten de bij 2e bedoelde kleiafdichting is aangebracht;
eventuele filterstellingen bij het boren van een put worden aangegeven en 6e de boorbeschrijving en eventuele filterstellingen worden na afloop van het oprichten van de boorput aan gedeputeerde staten gezonden;
bij het hebben van boorputten:
in geval van onregelmatigheden of bij geconstateerde bodemverontreiniging worden gedeputeerde staten daarvan terstond in kennis gesteld; door of namens hen gegeven aanwijzingen worden stipt opgevolgd en
een put die niet continu in gebruik is, zoals een brand-, pomp- of waarnemingsput, wordt afdoende afgesloten wanneer zij niet gebruikt wordt;
bij het definitief buiten gebruik stellen van boorputten, binnen twee weken na buitengebruikstelling:
de boorput wordt geheel afgedicht met een degelijke, niet verontreinigende afdichting van klei, grout of bentoniet;
ter hoogte van zandlagen wordt schoon aanvulzand aangebracht en
aanwezige buizen worden tot 1,5 meter beneden maaiveld verwijderd; aan de bovenzijde van de overblijvende buis wordt een kleiprop van 1 m aangebracht.
Artikel 3.