Artikel 9.1 Voor uitwegen ten behoeve van een woonperceel gelden de volgende regels:

  • - een uitweg binnen de bebouwde kom is maximaal 3,50 meter breed en buiten de bebouwde kom maximaal 5,00 meter breed. De breedte wordt gemeten op de grens van het perceel met de openbare weg;
  • - een uitweg ligt op ten minste 0,50 meter afstand van de zijdelingse perceelsgrens;
  • - een bredere uitweg binnen de bebouwde kom tot maximaal 5,00 meter breed is toegestaan wanneer:
    • - deze het gevolg is van het combineren van twee bestaande uitwegen;
    • - er sprake is van twee (of meer) parkeerplaatsen of een dubbele garage op eigen terrein, en aangetoond is dat een bredere uitweg noodzakelijk is om die parkeerplaatsen onafhankelijk van elkaar te kunnen gebruiken;
  • - in het geval van één (gecombineerde) uitweg voor twee of meer percelen bedraagt de maximale breedte van een uitweg 5,00 meter;
  • - de uitweg wordt bijvoorbeeld uitgevoerd met inritblokken (foto 1) of hoekelementen met betonstraatstenen (foto 2). Waar geen niveauverschil bestaat tussen erf en openbare weg wordt de uitweg uitgevoerd in een afwijkende verharding ten opzichte van de rijweg.

    Foto 1

    Foto 2

Artikel 9.2 Voor uitwegen ten behoeve van een bedrijfsperceel gelden de volgende regels:

  • - een uitweg is maximaal 8 meter breed. De breedte wordt gemeten op de grens van het perceel en de openbare weg.
  • - bij twee uitwegen dient er minimaal 8 meter ruimte tussen iedere uitweg aanwezig te zijn;
  • - de uitweg heeft een afwijkende verharding in type en/of kleur ten opzichte van de openbare weg waar deze op aansluit;
  • - op een bedrijventerrein heeft de uitweg over de gehele breedte een doorgetrokken witte markering van 20 cm breed op de grens van de uitweg en de openbare weg (foto 3).

    Foto 3

Artikel 9.3 Voor uitwegen ten behoeve van een agrarisch perceel geldt:

  • - een uitweg is maximaal 6 meter breed. De breedte wordt gemeten op de grens van het perceel en de openbare weg.