Degene die het saneringsplan heeft ingediend waarmee gedeputeerde staten op basis van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming hebben ingestemd, biedt uiterlijk dertien weken na beëindiging van de saneringswerkzaamheden drie exemplaren van het evaluatierapport met betrekking tot de sanering aan gedeputeerde staten aan. Hierbij wordt afzonderlijk gerapporteerd over de grondsanering en de grondwatersanering indien de grondwatersanering op een later tijdstip wordt beëindigd dan de grondsanering. In dit evaluatierapport is ten minste opgenomen:
a. een beschrijving van de getroffen saneringsmaatregelen;
b. een evaluatie van de mate waarin de effecten van de getroffen saneringsmaatregelen overeenstemmen met de beoogde effecten van deze maatregelen;
c. indien ten behoeve van de sanering grond is aangevoerd, de hoeveelheid, de kwaliteit en de herkomst van de aangevoerde grond;
d. indien de verontreinigde grond is afgegraven of het verontreinigde grondwater aan de bodem is onttrokken, de hoeveelheid, de kwaliteit en de bestemming van die grond onderscheidenlijk dat grondwater;
e. een beschrijving van de kwaliteit van de bodem na het uitvoeren van de sanering, waaronder mede begrepen een beschrijving van de aard, omvang en ligging van de verontreiniging indien na de sanering verontreiniging in de bodem aanwezig is gebleven;
f. indien na de sanering verontreiniging in de bodem aanwezig is gebleven, de aanduiding: 1° of de verontreiniging beperkingen in het gebruik met zich meebrengt, en zo ja welke; 2° of de verontreiniging maatregelen noodzakelijk maakt, en zo ja welke.
Hoofdstuk › Afdeling
Artikel 6.3b
Artikel 6.3b
Onderdeel van Verordening ter bescherming van het milieu (Pmv)