Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Afdeling

Artikel 6.3a

Artikel 6.3a

Onderdeel van Verordening ter bescherming van het milieu (Pmv)

1. Degene die feitelijk leiding geeft aan de uitvoering van een sanering op grond van een saneringsplan waarmee gedeputeerde staten op basis van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming hebben ingestemd, meldt uiterlijk twee weken voor de feitelijke aanvang van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering schriftelijk bij gedeputeerde staten de aanvangsdatum van de sanering. 2. Indien de sanering niet zal worden gestart op de overeenkomstig het eerste lid gemelde aanvangsdatum of de overeenkomstig dit lid aangepaste aanvangsdatum, meldt de in het eerste lid bedoelde persoon dit onverwijld schriftelijk aan gedeputeerde staten, onder opgave van de nieuwe aanvangsdatum. Indien de nieuwe aanvangsdatum op dat moment nog niet bekend is, meldt de in het eerste lid bedoelde persoon de nieuwe aanvangsdatum minimaal twee weken voor deze datum schriftelijk aan gedeputeerde staten. 3. Doen zich bij de uitvoering van de sanering feiten of omstandigheden voor als gevolg waarvan afgeweken moet worden van het saneringsplan, waarmee gedeputeerde staten op grond van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming hebben ingestemd, dan stelt de in het eerste lid bedoelde persoon gedeputeerde staten hiervan terstond op de hoogte. 4. Indien bij de sanering ontgraving van verontreinigde grond plaatsvindt, stelt de in het eerste lid bedoelde persoon gedeputeerde staten op de hoogte van het verwachte tijdstip waarop over het gehele gebied van de ontgraving de einddiepte bereikt zal worden, zodra hij van dat tijdstip een redelijk vermoeden heeft en voordat tot aanvulling van de ontgraving wordt overgegaan. Bij ontgraving en aanvulling in gedeeltes, geldt voornoemde verplichting tot melding per gedeelte. 5. De in het eerste lid bedoelde persoon meldt de beëindiging van de sanering binnen een week na beëindiging van de sanering schriftelijk aan gedeputeerde staten. 6. Indien sprake is van een sanering waarbij door gedeputeerde staten is ingestemd met een aanpak overeenkomstig artikel 38, vierde lid, van de Wet bodembescherming, wordt de beëindiging van iedere afzonderlijke fase op de in het vijfde lid beschreven wijze gemeld. 7. Indien de in het eerste lid bedoelde persoon niet degene is die het saneringsplan heeft ingediend, geldt een in het eerste, tweede, vijfde en zesde lid van dit artikel bedoelde verplichting tot melding niet indien degene die het saneringsplan heeft ingediend, die melding overeenkomstig het in het betreffende lid bepaalde heeft gedaan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel