1. Ontheffingen krachtens deze verordening worden verleend indien als gevolg van hetgeen daarbij wordt toegestaan natuurwetenschappelijke, cultuurhistorische, archeologische of landschappelijke waarden niet onaanvaardbaar worden geschaad.
2. Provinciale staten stellen een beleidsplan natuur en landschap vast voor de toepassing van deze verordening. Ten minste eenmaal in de vier jaren besluiten provinciale staten of het plan al dan niet wordt herzien. Bij de voorbereiding van een herziening is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing (4).
3. Gedeputeerde staten kunnen uitvoeringsprogramma's vaststellen.