1. Het is verboden op een onroerende zaak te storten, te bergen of op te slaan:
a. oud ijzer, glas, aardewerk, huisvuil, lompen, puin, bouw- en sloopafval, shredderafval en andere al dan niet bewerkte afvalstoffen;
b. zand, grond, slib, bagger, grind;
c. oud hooi, mest, boomstobben, takken;
d. oude en nieuwe materialen;
e. al dan niet buiten gebruik gestelde huishoudelijke of andere apparaten;
f. onbruikbare of al dan niet aan hun bestemming onttrokken werktuigen en machines, motor- en andere rij- of voertuigen, vaar- en vliegtuigen of onderdelen daarvan.
2. Het is de zakelijk gerechtigde en/of gebruiker van enig onroerende zaak voorts verboden die zaak of een gedeelte daarvan te gebruiken als stort-, bewaar-, berg- of opslagplaats of de aanwezigheid daarvan te gedogen.
3. Het is de zakelijk gerechtigde of gebruiker van enig onroerende zaak verboden toe te staan dat daarop door derden worden gestort, geborgen, opgeslagen of bewaard in strijd met de bepalingen van deze verordeningen. De zakelijk gerechtigde, of gebruiker van de onroerende zaak wordt geacht geen toestemming te hebben verleend indien hij van de overtreding onverwijld bij brief kennis geeft aan gedeputeerde staten, die de ontvangst daarvan schriftelijk bevestigen.
4. Stort-, bewaar-, berg- of opslagplaatsen welke als zodanig zijn opgenomen in een onherroepelijk goedgekeurd bestemmingsplan, worden geacht met ontheffing als bedoeld in artikel 8 van deze verordening aanwezig te zijn.
5. Het is verboden wateren, hoe ook genaamd geheel of gedeeltelijk te dempen en gedempt te houden.
6. Het hiervoor in het vierde lid bepaalde geldt eveneens ten aanzien van het geheel of gedeeltelijk dempen van wateren, hoe ook genaamd.