Naar hoofdinhoud
1. De in artikel 5 gestelde verboden zijn niet van toepassing. a. op het hebben van afbraak, puin en materialen op een onroerende zaak, ten behoeve van uitvoering of het onderhoud van openbare werken voor zolang die uitvoering of dat onderhoud duurt, mits de opslag is gelegen in de onmiddellijke nabijheid van de plaats waar die uitvoering of dat onderhoud plaatsvindt; b. op het hebben van afbraak, puin en materialen op een onroerende zaak, waarop onderhouds-, herstel-, bouw- of sloopwerkzaamheden worden uitgevoerd, mits deze zaken voor de uit te voeren werkzaamheden nodig of van het object, dat hersteld of gesloopt wordt, afkomstig zijn, zulks voor zolang de uitvoering duurt; c. op stort-, bewaar-, berg- of opslagplaatsen, die zich bevinden in gebouwen in de zin van de Woningwet; d. op een terrein, onmiddellijk grenzend aan een tot agrarisch produktiebedrijf behorende woning of bedrijfsgebouw, gelegen stort-, bewaar-, berg- of opslagplaats van stoffen en/of voorwerpen, die door agrarische produktiemethoden zijn voortgebracht door dat bedrijf danwel voor agrarische produktiedoeleinden worden verwerkt of gebruikt in dat bedrijf, voor zover die stort-, bewaar-, berg- of opslagplaats nodig is in het kader van een rationele agrarische bedrijfsvoering en voorts op rijkuilen en sleufsilo's die niet in de onmiddellijke nabijheid van de bedrijfsgebouwen zijn gelegen, indien deze althans zijn afgedekt met plastic folie van een in het landschap passende donkere kleur; e. op het geheel of gedeeltelijk dempen van wateren, hoe ook genaamd, indien zulks nodig is in het kader van een rationele agrarische bedrijfsvoering mits de demping zal plaatsvinden in een agrarisch gebied, dat als zodanig is aangemerkt in een in voorbereiding zijnd of vigerend bestemmingsplan, indien aan dat gebied geen bijzondere landschappelijke, natuurwetenschappelijke, cultuurhistorische of archeologische waarden zijn toegekend, met dien verstande dat: - de demping ten minste vier weken voor de aanvang van de werkzaamheden door middel van een door gedeputeerde staten voorgeschreven formulier bij hen wordt gemeld; - de demping plaats zal vinden met schone grond, schone slootbagger of met ander materiaal indien gedeputeerde staten daar tevoren schriftelijk toestemming voor hebben gegeven; f. op het geheel of gedeeltelijk dempen van wateren, hoe ook genaamd, ter uitvoering van een landinrichting als bedoeld in de Landinrichtingswet en voor zover omschreven in een landinrichtingsplan als bedoeld in artikel 73 van die wet of een aanpassingsplan als bedoeld in artikel 101 van die wet, mits de wateren worden gedempt met schone grond of schone slootbagger; demping met ander materiaal is mogelijk indien gedeputeerde staten daarvoor tevoren schriftelijk toestemming hebben gegeven overeenkomstig de meldingsprocedure in artikel 6e; g. op het leggen van dammen met duikers in wateren, indien deze worden aangevuld met schone grond en/of schone slootbagger; h. op het op bos-, griend- en hakhoutpercelen ten gevolge van werkzaamheden hebben van tijdelijke opslag van hout en hakhout voortkomende uit een verantwoorde bedrijfsvoering; i. op werkzaamheden, voortvloeiende uit een vergunning krachtens de Ontgrondingenwet voorzover deze werkzaamheden op het terrein plaatsvinden waarop die vergunning betrekking heeft. 2. De in artikel 5 gestelde verboden zijn voorts niet van toepassing op het storten van specie, vrijkomend uit normaal onderhoud van watergangen en voor tijdelijke opslag van bagger, indien door gedeputeerde staten vast te stellen algemene voorschriften in acht zijn genomen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel