1. Bij een ontheffing gelden in elk geval de volgende voorschriften:
a. lengte, breedte en hoogte van het woonschip zijn respectievelijk ten hoogste 18 meter, 6 meter en 3.50 meter;
b bij een puntdak, lessenaarsdak, gebogen dak, schilddak of splitlevel kan de nokhoogte ten hoogste 4 meter zijn, mits de goothoogte rondom ten hoogste 3.50 meter is;
c. als het woonschip historische waarde heeft kan de lengte ten hoogste 30 meter zijn;
d. de kleuren van het woonschip zijn buiten de bebouwde kom dekkend donkergroen, donkerbruin, donkergrijs, donkerblauw, antraciet of zwart of het is betimmerd met onbehandeld red ceder, een en ander in overeenstemming met de omgeving;
e. de afstand tussen twee woonschepen is ten minste 5 meter.
2. De maten worden vastgesteld waar zij het grootst zijn. De hoogte wordt gemeten vanaf de waterlijn.
3. Bij de vaststelling van de maten kunnen buiten beschouwing blijven:
a. masten;
b. lichtkoepels, schoorstenen, antennes en andere ondergeschikte onderdelen;
c. dakoverstekken tot 0,3 meter vanuit de gevel;
d. loopranden tot 0,8 meter voor zover de betreffende zijden van het woonschip niet op andere wijze bereikbaar zijn.
4. Gedeputeerde staten kunnen in bijzondere gevallen afwijken van de in het eerste lid gestelde voorschriften.
Hoofdstuk › Paragraaf
Artikel 7e.