Naar hoofdinhoud
1. Aan het algemeen bestuur wordt mandaat verleend overeenkomstig de bij dit besluit behorende mandaatlijst. 2. Het algemeen bestuur kan de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, in ondermandaat opdragen aan de directeur-secretaris of medewerkers die onder de verantwoordelijkheid van de secretaris werkzaam zijn, tenzij dat ten aanzien van een concreet mandaat in de mandaatlijst uitdrukkelijk is uitgesloten. 3. In geval van afwezigheid of ontstentenis van de directeur-secretaris worden diens bevoegdheden door diens plaatsvervanger uitgeoefend. 4. De bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, behelzen niet de bevoegdheid te beslissen op bezwaarschriften, bedoeld in artikel 6:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. 5. De bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, behelzen niet de bevoegdheden die bij de bij dit besluit behorende mandaatlijst uitdrukkelijk zijn uitgezonderd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel