Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › Paragraaf 2

Artikel 3.7

Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen

Onderdeel van Verordening jeugdhulp Amsterdam 2025

1.. Het college neemt bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen zoals bedoeld in het vorige artikel tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouder(s) zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden. Dit is ook het geval als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen. Dit uitgangspunt is gebaseerd op de artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Uit het onderzoek kan blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) niet toereikend is, bijvoorbeeld omdat sprake is van: (een) geobjectiveerde beperking(en) om noodzakelijke hulp te bieden; een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; het op permanent toezicht aangewezen zijn van de jeugdige ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel en waarvoor geen Wlz-aanspraak bestaat of het op 24 uur per dag zorg in de nabijheid aangewezen zijn van de jeugdige, omdat de jeugdige zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen om ernstig nadeel voor hem zelf te voorkomen en waarvoor geen Wlz-aanspraak bestaat; overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven. 2.. Bij de beoordeling van de overbelasting bedoeld in het eerste lid onder d, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(s) hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ouder(s) maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college ook rekening met: de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige; de duur van de inzet; de planbaarheid van de hulp; de benodigde ondersteuningsintensiteit; de samenstelling van het gezin en de woonsituatie; de noodzaak van de ouder(s) om in een inkomen te voorzien.

Rechtspraak bij dit artikel