**1..** Een jeugdige of ouder kan binnen de kaders van de Jeugdwet en deze verordening in aanmerking komen voor een individuele voorziening wanneer door het college of een andere wettelijke verwijzer is vastgesteld dat:
een individuele voorziening aangewezen is gezien de aard en ernst van de hulpvraag;
de jeugdige zelf, of met zijn ouders of andere personen uit zijn naaste omgeving, geen afdoende oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden;
een algemene voorziening niet adequaat is voor de oplossing van de hulpvraag;
de jeugdige of de ouders geen aanspraak kunnen maken op een andere voorziening om de hulpvraag volledig te beantwoorden.
**2..** De inzet van een individuele voorziening is in beginsel tijdelijk en gericht op herstel en versterking van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en/of diens ouders.
**3..** Het college treft geen individuele voorziening voor zover er naar haar oordeel sprake is van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen.
**4..** Een individuele voorziening voor jeugdhulp wordt alleen toegekend als de inzet van de voorziening naar het oordeel van het college doeltreffend geacht kan worden. Om doeltreffend te zijn geldt in ieder geval dat:
de in te zetten voorziening bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag;
de in te zetten voorziening behoudens het bepaalde in artikel 2.4 tweede lid sub b van de wet – waar beschikbaar – een bewezen effectieve interventie is.
Hoofdstuk 3 › Paragraaf 2
Artikel 3.8
Criteria en afwegingsfactoren bij de besluitvorming
Onderdeel van Verordening jeugdhulp Amsterdam 2025