Naar hoofdinhoud
1. Bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2., eerste lid, sub e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht betrekt het bevoegd gezag het bepaalde in hoofdstuk 4 van deze verordening. 2. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd indien niet wordt voldaan aan het bepaalde in hoofdstuk 4. 3. Het bevoegd gezag dat beslist op een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid stelt gedeputeerde staten in de gelegenheid hem advies uit te brengen als bedoeld in artikel 2.26, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht over het ontwerp van de beschikking op de aanvraag. 4. De voorschriften van een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid kunnen worden gewijzigd met inachtneming van het gestelde in hoofdstuk 4. Het bepaalde in het derde lid is van overeenkomstige toepassing. 5. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid kan geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken wegens strijd met het gestelde in hoofdstuk 4. Het bepaalde in het derde lid is van overeenkomstige toepassing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel