Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf

Artikel 33

Algemene bepalingen over stemming

Onderdeel van Reglement van orde voor de raad van Amsterdam

1.. Onmiddellijk nadat de beraadslaging over enig punt gesloten is verklaard, wordt het in stemming gebracht, tenzij door geen van de leden stemming wordt gevraagd. 2.. Voordat de stemming over het voorstel plaatsvindt, formuleert de voorzitter het voorstel over de te nemen eindbeslissing. 3.. Stemming geschiedt door zitten en opstaan, tenzij een van de leden stemming bij hoofdelijke oproeping vraagt; in dat geval vindt hoofdelijke oproeping plaats. 4.. Een lid is bevoegd, ingeval geen hoofdelijke stemming plaatsheeft, zonder opgave van reden aantekening in de notulen te verzoeken dat hij geacht wil worden te hebben tegengestemd. 5.. Indien op een onderwerp amendementen zijn ingediend, gaat de stemming daarover aan die over het onderwerp vooraf, met dien verstande, dat het amendement van de verste strekking het eerst in stemming komt. Bij verschil van inzicht over de strekking van een amendement beslist de raad. 6.. De stemming over een subamendement vindt plaats vóór die over het amendement waarop het betrekking heeft, met dien verstande, dat voor de volgorde van de stemmingen over subamendementen dezelfde regels gelden als die welke voor amendementen zijn vastgesteld. 7.. Indien aangaande een aanhangig onderwerp een motie is ingediend, wordt eerst over het onderwerp gestemd en vervolgens over de motie. De raad kan op voorstel van de voorzitter of van één of meer leden besluiten van deze volgorde af te wijken. 8.. Indien de orde van de vergadering dit eist, kan de voorzitter, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, het tijdstip van stemming bepalen. 9.. De voorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming mede, met vermelding van het aantal voor en tegen uitgebrachte stemmen, onder vermelding van de naam van de fracties of leden. Hij doet daarbij tevens de mededeling van het genomen besluit.

Rechtspraak bij dit artikel