Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf

Artikel 34

Hoofdelijke stemming

Onderdeel van Reglement van orde voor de raad van Amsterdam

1.. Behoudens de gevallen waarin de leden zich volgens de Gemeentewet [6] van stemming moeten onthouden, en behoudens het geval voorzien in het vierde lid, is ieder in de vergadering aanwezig lid verplicht, bij hoofdelijke stemming zijn stem uit te brengen met het woord "voor" of "tegen" zonder enige bijvoeging. [7] 2.. Vóór iedere te houden hoofdelijke stemming wordt door het lot bepaald welk lid het eerst zijn stem uitbrengt. De leden worden voor het uitbrengen van hun stem door de voorzitter, of op zijn aanwijzing door de griffier, afgeroepen, te beginnen met het door het lot aangewezen lid, in de volgorde waarin hun namen op de alfabetische presentielijst voorkomen. Indien de voorzitter lid van de raad is, brengt hij zijn stem als laatste uit. 3.. De loting, in het vorige lid bedoeld, heeft plaats op een door de voorzitter te bepalen wijze. 4.. Indien bij hoofdelijke stemming blijkt dat het voor de opening van de vergadering vereiste aantal leden niet meer aanwezig is, kan de voorzitter hetzij de vergadering voor enige tijd schorsen en haar, indien bij heropening weer voldoende leden aanwezig blijken te zijn, voortzetten, hetzij de vergadering sluiten en tegen een later tijdstip een nieuwe vergadering bijeenroepen. 5.. Een lid dat bij de aanvang van een stemming niet de presentielijst heeft getekend, neemt aan deze stemming niet deel. 6.. Wanneer een lid zijn stem heeft uitgebracht, mag een eerder afgeroepen lid niet meer stemmen of zijn stem wijzigen. Het laatst afgeroepen lid mag niet meer stemmen of zijn stem wijzigen wanneer het opmaken van de uitslag is aangevangen. 7.. Een lid is bevoegd, terstond na een gehouden hoofdelijke stemming aantekening te verzoeken in de notulen, dat hij zich bij het uitbrengen van zijn stem heeft vergist. Deze mededeling heeft geen invloed op de uitslag van de stemming.

Rechtspraak bij dit artikel