**1..** Onmiddellijk nadat de
beraadslaging over enig punt gesloten is verklaard, wordt het in
stemming gebracht, tenzij door geen van de leden stemming wordt
gevraagd.
**2..** Voordat de stemming over het
voorstel plaatsvindt, formuleert de voorzitter het voorstel over
de te nemen eindbeslissing.
**3..** Stemming geschiedt door zitten en
opstaan, tenzij een van de leden stemming bij hoofdelijke
oproeping vraagt; in dat geval vindt hoofdelijke oproeping
plaats.
**4..** Een lid is bevoegd, ingeval geen
hoofdelijke stemming plaatsheeft, zonder opgave van reden
aantekening in de notulen te verzoeken dat hij geacht wil worden
te hebben tegengestemd.
**5..** Indien op een onderwerp
amendementen zijn ingediend, gaat de stemming daarover aan die
over het onderwerp vooraf, met dien verstande, dat het
amendement van de verste strekking het eerst in stemming komt.
Bij verschil van inzicht over de strekking van een amendement
beslist de raad.
**6..** De stemming over een subamendement
vindt plaats vóór die over het amendement waarop het betrekking
heeft, met dien verstande, dat voor de volgorde van de
stemmingen over subamendementen dezelfde regels gelden als die
welke voor amendementen zijn vastgesteld.
**7..** Indien aangaande een aanhangig
onderwerp een motie is ingediend, wordt eerst over het onderwerp
gestemd en vervolgens over de motie. De raad kan op voorstel van
de voorzitter of van één of meer leden besluiten van deze
volgorde af te wijken.
**8..** Indien de orde van de vergadering
dit eist, kan de voorzitter, in afwijking van het bepaalde in
het eerste lid, het tijdstip van stemming bepalen.
**9..** De voorzitter deelt de uitslag na
afloop van de stemming mede, met vermelding van het aantal voor
en tegen uitgebrachte stemmen, onder vermelding van de naam van
de fracties of leden. Hij doet daarbij tevens de mededeling van
het genomen besluit.
Hoofdstuk 3 › Paragraaf
Artikel 33
Algemene bepalingen over stemming
Onderdeel van Reglement van orde voor de raad van Amsterdam