**1..** Behoudens de gevallen waarin de
leden zich volgens de Gemeentewet [6] van stemming moeten
onthouden, en behoudens het geval voorzien in het vierde lid, is
ieder in de vergadering aanwezig lid verplicht, bij hoofdelijke
stemming zijn stem uit te brengen met het woord "voor" of
"tegen" zonder enige bijvoeging. [7]
**2..** Vóór iedere te houden hoofdelijke
stemming wordt door het lot bepaald welk lid het eerst zijn stem
uitbrengt. De leden worden voor het uitbrengen van hun stem door
de voorzitter, of op zijn aanwijzing door de griffier,
afgeroepen, te beginnen met het door het lot aangewezen lid, in
de volgorde waarin hun namen op de alfabetische presentielijst
voorkomen. Indien de voorzitter lid van de raad is, brengt hij
zijn stem als laatste uit.
**3..** De loting, in het vorige lid
bedoeld, heeft plaats op een door de voorzitter te bepalen
wijze.
**4..** Indien bij hoofdelijke stemming
blijkt dat het voor de opening van de vergadering vereiste
aantal leden niet meer aanwezig is, kan de voorzitter hetzij de
vergadering voor enige tijd schorsen en haar, indien bij
heropening weer voldoende leden aanwezig blijken te zijn,
voortzetten, hetzij de vergadering sluiten en tegen een later
tijdstip een nieuwe vergadering bijeenroepen.
**5..** Een lid dat bij de aanvang van
een stemming niet de presentielijst heeft getekend, neemt aan
deze stemming niet deel.
**6..** Wanneer een lid zijn stem heeft
uitgebracht, mag een eerder afgeroepen lid niet meer stemmen of
zijn stem wijzigen. Het laatst afgeroepen lid mag niet meer
stemmen of zijn stem wijzigen wanneer het opmaken van de uitslag
is aangevangen.
**7..** Een lid is bevoegd, terstond na
een gehouden hoofdelijke stemming aantekening te verzoeken in de
notulen, dat hij zich bij het uitbrengen van zijn stem heeft
vergist. Deze mededeling heeft geen invloed op de uitslag van de
stemming.
Hoofdstuk 3 › Paragraaf
Artikel 34
Hoofdelijke stemming
Onderdeel van Reglement van orde voor de raad van Amsterdam