4.1 Het onderzoek
4.1.1 Het college informeert de jeugdige en/of zijn ouders of de cliënt over de gang van zaken bij het onderzoek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure. Daarbij wordt tevens gewezen op de mogelijkheid gebruik te maken van onafhankelijke cliëntondersteuning en het opstellen van een persoonlijk plan.
4.1.2 Het college volgt bij het onderzoek naar de behoefte aan jeugdhulp of een maatwerkvoorziening met inachtneming van een (eventueel) persoonlijk plan het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep met de volgende stappen:
Wat is de hulpvraag?
Is sprake van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn, of welke problemen er zijn bij de zelfredzaamheid en/of de participatie of bij het handhaven in de samenleving?
Welke hulp of ondersteuning is naar aard en omvang nodig?
Wat zijn de mogelijkheden van eigen kracht en het zelf oplossend vermogen wat betreft gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp uit het sociaal netwerk of voorliggende al dan niet algemene of wettelijke voorzieningen of collectieve voorzieningen?
Voor zover de eigen kracht of het zelf oplossend vermogen niet toereikend zijn dient een individuele voorziening of maatwerkvoorziening verstrekt te worden.
4.1.3 Een gesprek maakt zo nodig deel uit van het onderzoek.
4.1.4 Indien een individuele voorziening of maatwerkvoorziening wordt verstrekt en de jeugdige of zijn ouders of de client geeft de voorkeur aan een pgb als leveringsvorm, dan wordt dit na de 5e stap (lid e) van het stappenplan onderzocht.
4.1.5 Beoordeling aanwezigheid eigen kracht, probleemoplossend vermogen en gebruikelijke hulp (Jeugdwet en Wmo 2015)
4.1.5.a (Jeugdwet en Wmo 2015)
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
Eigen kracht: datgene wat de jeugdige of zijn ouders of de cliënt zelf bij kunnen dragen aan het oplossen van het probleem;
Gebruikelijke hulp: datgene wat huisgenoten van de cliënt of ouders van de jeugdige bij kunnen dragen aan de (dagelijkse) hulp en ondersteuning en aan het oplossen van het probleem;
Mantelzorg: datgene wat personen rond de jeugdige en zijn ouders of de cliënt aan hulp ter oplossing van het probleem kunnen bieden die;
rechtstreeks voortvloeit uit een tussen die personen bestaande sociale relatie en
die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep.
4.1.5.1. (Jeugdwet en Wmo 2015)
Een individuele of maatwerkvoorziening (respectievelijk in aansluiting op artikel 2.3, lid 1 Jeugdwet en artikel 1.2.1, onder a en 2.3.5 lid 3 van de Wmo 2015) wordt niet verstrekt als uit het onderzoek blijkt dat de jeugdige of zijn ouders of de cliënt de problematiek, waarvoor een voorziening wordt aangevraagd, op eigen kracht kunnen oplossen of kunnen bijdragen aan het oplossen of het verminderen of wegnemen:
door gebruik te maken van zijn eigen kracht en probleemoplossend vermogen;
met gebruikelijke hulp van ouders of huisgenoten;
met mantelzorg of hulp van anderen uit zijn sociale netwerk;
door gebruik te maken van voorliggende (wettelijke) voorzieningen;
door gebruik te maken van algemene of collectieve voorzieningen;
door gebruik te maken van algemeen gebruikelijke voorzieningen, zaken of diensten.
4.1.5.2. (Jeugdwet)
Bij het beoordelen van de eigen kracht heeft het college als uitgangspunt dat de ouders en andere verzorgers en opvoeders in eerste instantie verantwoordelijk zijn voor het verzorgen en opvoeden van de jeugdige en het houden van toezicht. Zij doen alles wat binnen hun mogelijkheden past om ervoor te zorgen dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien. Deze verantwoordelijkheid geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening of beperking heeft.
4.1.5.3 (Wmo 2015)
Bij het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4. onder b. van de Wmo 2015 beoordeelt het college of er naast eigen kracht ook gebruikelijke hulp van huisgenoten als bedoeld in artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015, mantelzorg, of andere hulp uit het netwerk mogelijk is.
Huisgenoten van de cliënt zijn verplicht, als zij daarom gevraagd worden, aan het college de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van het onder a. genoemde onderzoek, alsmede bij heronderzoek als bedoeld in artikel 2.3.9 van de Wmo 2015.
4.1.5.4. (Jeugdwet en Wmo 2015)
Om te bepalen wat de jeugdige/ouders of cliënt op eigen kracht kunnen oplossen, beoordeelt het college in ieder geval:
De behoeften en mogelijkheden van de jeugdige of de cliënt;
De voor de jeugdige of cliënt benodigde ondersteuningsintensiteit en de duur daarvan;
De mogelijkheden, de draagkracht en de belastbaarheid van de ouders of huisgenoten;
De samenstelling van het gezin en de woonsituatie van de jeugdige of de cliënt waarbij bij gescheiden ouders ook gekeken wordt naar wat de ouder waar het kind niet woont bij kan dragen;
Het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen, waarbij geen financiële draagkrachtmeting wordt gedaan;
De mogelijkheden van het sociale netwerk, inclusief steungezinnen, om de jeugdige of de ouders of cliënt te ondersteunen;
De mogelijkheid om gebruik te maken van voorliggende (wettelijke) voorzieningen;
Overige relevante omstandigheden van de jeugdige/ouders of cliënt die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de benodigde hulp zelf te bieden;
De aard van de relatie tussen de ouders en de jeugdige of de cliënt en diens huisgenoten;
De inhoudelijke aard, de omvang en de complexiteit van de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of de cliënt;
De beschikbaarheid van de ouders of de huisgenoten voor het ondersteunen van de cliënt bij diens zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving;
De vraag in hoeverre het gaat om een ondersteuningsbehoefte die beantwoord moet worden met de inzet van professionele hulpverlening;
De vraag in hoeverre de ouders of huisgenoten medische beperkingen hebben om de gebruikelijke hulp te leveren;
Het al dan niet dreigend overbelast raken van de ouders of huisgenoten of al overbelast zijn op basis van factoren die te maken hebben met de te leveren gebruikelijke hulp, waarbij beoordeeld wordt of de draaglast de draagkracht te boven gaat;
De mate waarin en de wijze waarop de jeugdige of de cliënt voorafgaand aan de melding is ondersteund door diens ouders of huisgenoot of huisgenoten op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving;
Overige relevante omstandigheden van de ouders, de huisgenoot of huisgenoten van de cliënt die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de cliënt hulp te bieden op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving.
4.1.5.5 (Jeugdwet en Wmo 2015)
Bij (dreigende) overbelasting neemt het college nog het volgende in de beoordeling mee:
Er moet een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige of cliënt.
Wanneer de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de hulp aan de jeugdige of cliënt om, moet de ouder of huisgenoot eerst een oplossing zoeken in het verminderen van de oorzaak van die spanningen.
Bij een aanvraag voor een individuele voorziening of maatwerkvoorziening bekijkt het college wat al is of wordt gedaan om de (dreigende) overbelasting te verminderen.
Wanneer de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het accepteren van andere vormen van ondersteuning, het herinrichten van de dagstructuur, het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de ouder of huisgenoot verwacht.
Het verlenen van hulp aan jeugdige of cliënt gaat voor op sociale/maatschappelijke activiteiten of vrijetijdsbesteding.
Een pgb voor het verlenen van hulp aan een jeugdige of cliënt wordt beëindigd of niet toegekend als er sprake is van (dreigende) overbelasting van de ouder of huisgenoot. Een andere hulpverlener moet het verlenen van hulp overnemen om de overbelasting te stoppen.
4.1.5.6 (Jeugdwet en Wmo 2015)
Het gestelde in de voorgaande leden is ook van toepassing op heronderzoek als bedoeld in artikel 8.1.3 Jeugdwet en artikel 2.3.9, lid 1 van de Wmo 2015.
4.2 Advisering
4.2.1 Deskundigheid onderzoekers (Jeugdwet)
4.2.1.1 Het college zet voor het onderzoek naar aanleiding van een aanvraag voor jeugdhulp de daarvoor benodigde specifieke deskundigheid in en zorgt ervoor dat de deskundigheid bekend is bij de aanvrager.
4.2.1.2 Het onderzoek vindt plaats door of onder verantwoordelijkheid van SKJ- of BIG-geregistreerde professionals.
4.2.2 Indien bij één of meerdere stappen van het onderzoek deskundigenonderzoek noodzakelijk is, zal advies worden gevraagd. Daarbij wordt steeds dat advies met die deskundigheid gevraagd dat passend is bij de betreffende stap.
4.3 Het verslag en de aanvraag (Wmo 2015)
4.3.1 Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek, waarbij de cliënt in staat wordt gesteld zijn of haar akkoord voor de inhoud van het verslag te geven of aanvullingen te geven.
4.3.2 Als de cliënt van mening is dat hij of zij in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, kan hij of zij dit aangeven op het door hem ondertekende verslag. Het verslag wordt daarmee een aanvraagformulier.
4.3.3 Een cliënt of zijn gemachtigde kan direct een aanvraag indienen als binnen de termijn van zes weken na de melding geen onderzoek is verricht.
4.4.1 gezin, 1 plan, 1 regisseur (Jeugdwet)
Het college zorgt er waar nodig voor dat de jeugdhulp aansluit bij andere vormen van hulp die aan de jeugdige of zijn ouders wordt geboden volgens het principe 1 gezin, 1 plan, 1 regisseur. Om dat te bereiken maakt het college afspraken met zorg- en hulpverleners, instellingen, het onderwijs en andere betrokken personen of organisaties. Die afspraken gaan onder meer over:
procedures die gelden bij doorverwijzing naar hulp;
communicatie met andere organisaties en het college;
afbakening van taken en verantwoordelijkheden;
aansluiting tussen voorliggende voorzieningen, overige voorzieningen en individuele voorzieningen.