5.1 Algemeen
Geen individuele voorziening of maatwerkvoorziening wordt verstrekt:
voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot jeugdhulp of ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat;
indien het een individuele of maatwerkvoorziening betreft die de cliënt na de melding (Wmo 2015) of aanvraag (Jeugdwet) en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld;
voor zover de aanvraag voor maatschappelijke ondersteuning betrekking heeft op een voorziening die aan cliënt al eerder is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of tenzij cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten;
indien de individuele of maatwerkvoorziening is gerealiseerd binnen een redelijke termijn (maximaal 6 maanden) voor de melding (Wmo) danwel de aanvraag (jeugd) zonder toestemming van het college, terwijl de noodzaak niet meer vastgesteld kan worden;
voor zover de maatwerkvoorziening niet in overwegende mate op het individu is gericht;
als de maatwerkvoorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met de reeds bestaande beperkingen, niet verband houdende met de overgang naar een volgende levensfase;
als de maatwerkvoorziening niet langdurig noodzakelijk is, behoudens thuisondersteuning en kortdurend verblijf;
indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Dijk en Waard. Uitzondering hierop is opvang en beschermd wonen of als het gaat om een voorgenomen verhuizing naar de gemeente Dijk en Waard;
indien de individuele of maatwerkvoorziening niet als goedkoopst compenserend aan te merken is;
indien naar het oordeel van het college een voorliggende al dan niet wettelijke voorziening of regeling aanwezig is en de cliënt weigert van die regeling gebruik te maken om redenen die niet met de inhoudelijke aspecten van de maatwerkvoorziening te maken hebben.
indien de maatwerkvoorziening gezien de beperkingen van de cliënt, niet veilig is voor hemzelf en zijn omgeving, gezondheidsrisico’s met zich meebrengt, vrijheidsbeperkend of anti-revaliderend werkt.
5.2 Vervoersvoorzieningen (Wmo 2015)
5.2.1 Het college hanteert het primaat van het collectief vraagafhankelijk vervoer, zijnde het Wmo-vervoer.
5.2.2 Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag, tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal contact dat uitsluitend door de aanvrager zelf bezocht kan worden terwijl het bezoek noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen.
5.3 Woonvoorzieningen (Wmo 2015)
5.3.1 Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen bij het normale gebruik van de woning en het zich verplaatsen in de woning treedt het college indien nodig in overleg met de cliënt om gezamenlijk de mogelijkheden van een verhuizing te onderzoeken, waarbij onder meer de medisch aanvaardbare termijn voor verhuizing naar een geschikte woning of een goedkoper geschikt te maken woning wordt onderzocht. Hierbij zal eerst beoordeeld worden of een verhuizing kan leiden tot voldoende compensatie ten aanzien van zelfredzaamheid en participatie. Actief overleg met de cliënt over een mogelijke verhuizing vindt in ieder geval plaats indien de kosten van aanpassing van de woning het bedrag van € 7.500 euro overstijgt. Een onafhankelijk medisch advies kan in het kader van deze beoordeling worden opgevraagd. Hieruit moet blijken wat een medisch aanvaardbare termijn is waarbinnen iemand over een aangepaste/geschikte woning moet beschikken. Dit is afhankelijk van de individuele situatie.
5.3.2. Een woonvoorziening is gericht op normaal gebruik van de eigen woning, waaronder wordt verstaan:
het bereiken van de woning
het zich kunnen verplaatsen in en om de eigen woning
gebruik maken van woonruimten (de elementaire woonfuncties)
5.3.3 Geen woonvoorziening wordt verstrekt:
voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen;
indien cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen.
ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen, gehuurde kamers, kraak en anti-kraak woningen met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting;
als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden.
voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting;
indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is;
indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college;
indien de cliënt al geruime tijd weet dat zijn woning door toename van de beperkingen niet meer geschikt zal zijn, hierover met de gemeente in overleg is geweest en het college zich genoodzaakt zag schriftelijk erop te wijzen dat door de complexiteit of omvang van de aanpassing een verhuizing in de toekomst noodzakelijk is. Hierbij wordt meegewogen of de cliënt voldoende actie heeft genomen om een passende woning te vinden en of de cliënt 1 of meerdere malen een woning door de gemeente is aangeboden maar deze heeft geweigerd.
Artikel 5.
Afwijzingsgronden jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning (Jeugdwet en Wmo 2015)
Onderdeel van Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Dijk en Waard 2025