Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 03

Artikel 03-6

Perspectief op slimme versnelling

Onderdeel van Accommodatiebeleid Gulpen-Wittem

In de verbetering van maatschappelijk vastgoed is de komende jaren een verbeteropgave aan de orde. Naast verduurzaming, klimaatneutraliteit (energiebesparing) en circulariteit zal de aandacht toenemen voor een gezond binnenklimaat. Dat is in het perspectief te bezien dat landelijk de gemiddelde gebouwleeftijd in maatschappelijk vastgoed meer dan 40 jaar is. Vooral in de jaren zestig en zeventig was een schaalsprong aan de orde, die primair kwantitatief van aard was. Maatschappelijk vastgoed is te verdelen in drie bouwperioden. De gebouwen uit de verschillende tijdperken hebben een verschillende bouwkundige waarde. De sectorale routekaart stelt voor de verduurzaming van gebouwen verschillende generieke maatregelen voor. Hoewel die met verstand van zaken moeten worden toegepast, bieden ze houvast bij de opgaven van verbetering: Monumenten (tot 1930): Dit zijn in algemene zin maatschappelijk waardevolle gebouwen. Bij deze gebouwen is maatwerk van toepassing. Einde levensduur voor 2050 (1930 – 1992): Gebouwen uit deze periode stammen deels uit de wederopbouwperiode, zijn vaak snel gerealiseerd en kunnen van matige bouwkwaliteit zijn. Voor deze gebouwen is vervanging door nieuwbouw het uitgangspunt van handelen. Einde levensduur niet voor 2050 (1992 – heden): Integrale verduurzaming op natuurlijke investeringsmomenten, zoals bij vervanging van installaties of functiewijziging. De routekaart gaat dus (nog) uit van vervanging van vastgoed als het zijn eindtermijn bereikt heeft. In de toekomst kan dat veranderen en kan de nadruk verschuiven naar hergebruik en renovatie. Door circulariteit wordt hergebruik van materialen een belangrijker element in de discussie over duurzaamheid. Al in 2030 moet bij nieuwbouw van maatschappelijke gebouwen voor 30% gebruik worden gemaakt van circulaire materialen. Ook in de exploitatie en in onderhoud wordt continuering van gebruik (door renovatie) en hergebruik van materialen een belangrijke afweging. De uitdaging is om een goede balans te bereiken zodat het duurzaamheidsresultaat optimaal wordt. Renovatie moet een perspectiefrijke stap zijn om te komen tot duurzame voorraad. Dat betekent dat, om een volwaardig alternatief voor nieuwbouw te kunnen zijn, een gebouw na renovatie in ieder geval aardgasvrij moet zijn en voorzien van een PV-installatie. Om in actieve samenwerking tot passende maatregelen te komen moeten zakelijke overwegingen voorop staan. Betrokken partijen, ook huurders en gebruikers van maatschappelijke vastgoed, moeten investeringen zorgvuldig analyseren en beoordelen of deze leiden tot een (voldoende) positief financieel en maatschappelijk rendement. Daarbij moet ook de continuïteit c.q. de ontwikkeling van gebruik op de langere termijn een mee te wegen factor zijn. Eindtermijn De beleidsmatige verduurzaming van vastgoed moet steeds zijn afgestemd op de levenscyclus van een gebouw. Gemeente legt daartoe, in goed overleg met gebruikers, voor elk gebouw de eindtermijn formeel vast. Deze wordt bepaald door de resterende economische afschrijving van het pand c.q. van de dominante investering (bijv. installaties, dak of eerder gerealiseerde aanbouw) en is ingekaderd door de continuïteitsplannen van exploitanten, gebruikers en huurders. De verduurzamingsmaatregelen1Gulpen-Wittem neemt deel aan het Ontzorgingsprogramma Maatschappelijk Vastgoed van de Provincie Limburg. Daarin worden verduurzamingsmaatregelen voor accommodaties en de bijkomende kosten inzichtelijk gemaakt. Het beleidsstuk “Routekaart verduurzaming maatschappelijk vastgoed” wordt in 2025 aan de raad voorgelegd. die voor het betreffende pand van toepassing zijn, zullen altijd worden beschouwd in het licht van deze formele eindtermijn. Een negatieve score in de beoordelingsmatrix (zie paragraaf 06-1-1) rechtvaardigt geen investeringen in duurzaamheid. De eindtermijn per gebouw wordt vastgesteld in het uitvoeringsprogramma en biedt houvast om verwachtingen te managen van gebruikers en medewerkers. Uitstel van maatregelen kan voor alle betrokkenen acceptabel zijn als het toekomstperspectief helder is.

Rechtspraak bij dit artikel