1.. In het onderzoek naar de hulpvraag wordt aandacht geschonken aan de verantwoordelijkheid en rol van ouders voor de zorg van hun kinderen (zorgplicht).

2.. Ook werkende ouders zijn verantwoordelijk voor de hulp, zorg en/of ondersteuning van hun kinderen, ook als vanwege het werk gebruik wordt gemaakt van (naschoolse) kinderopvang. Reguliere naschoolse opvang die nodig is alleen, omdat de ouder(s) niet beschikbaar zijn, kan in ieder geval niet als jeugdhulp worden gekwalificeerd.

3.. In de situatie dat ouder(s) gescheiden zijn, wordt onderzoek gedaan naar de vraag of de ouder (waar de jeugdige niet woonachtig is) hulp, zorg en/of ondersteuning redelijkerwijs kan bieden. Beide ouders van de jeugdige worden immers tot het sociaal netwerk gerekend. Is er sprake van co-ouderschap, dan geldt het uitgangspunt dat van ouders wordt verwacht dat zij samen de hulp, zorg en/of ondersteuning bieden. Immers, bij co-ouderschap verdelen ouders feitelijk de zorg voor het kind; zij vallen beiden onder het sociaal netwerk (de huiselijke kring) en behouden de zorg- en opvoedplicht voor hun kind.

4.. Voor de beantwoording van de vraag of de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) toereikend zijn, geldt, naast het bepaalde in de verordening, het volgende: het college beoordeelt in het onderzoek naar de hulpvraag welke opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen de jeugdige ervaart en welke problemen ouders ondervinden met betrekking tot de zogeheten zorgplicht en hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen. Hierbij wordt voor het onderzoek gebruik gemaakt van het normenkader, zoals benoemd in artikel 2.4.1.

5.. Het kan mogelijk zijn dat ouders vanwege eigen problematiek, bijvoorbeeld verslaving of belangrijke levensgebeurtenissen (tijdelijk) niet over eigen mogelijkheden of probleemoplossend vermogen beschikken. Verwacht wordt dat ouder(s) de op de mogelijkheden benutten om de eigen mogelijkheden of probleemoplossend vermogen duurzaam te versterken zodat een beroep op een individuele voorziening vanuit de Jeugdwet niet noodzakelijk is. Hierbij kan naast de eigen inspanningen van ouder(s) ook gedacht worden aan een beroep op een voorliggende voorziening zoals de Zorgverzekeringswet, Wet langdurige Zorg, Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, Wet passend Onderwijs, een beroep op het sociaal netwerk of algemene voorzieningen. Ouders kunnen in dit kader gevraagd worden om een plan van aanpak op te stellen waarin zij aangeven hoe zij hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen duurzaam kunnen versterken, waardoor zij (weer) in staat zijn zelf de (dagelijkse) hulp, zorg en/of ondersteuning te bieden aan het kind. Het plan van aanpak kan meegewogen worden in het advies ten aanzien van de in te zetten individuele voorziening.