**1..** De periode waarvoor een indicatie wordt afgegeven is afhankelijk van meerdere factoren:
- - De (aard van de) beperkingen van de cliënt en de veranderingen die zich daarin kunnen voordoen:
**•.** Bij een indicatie voor dienstverlening is het uitgangspunt dat deze voor langere tijd, maar maximaal voor de duur van 2 jaar wordt afgegeven. Er dient dan wel periodiek een evaluatiemoment plaats te vinden, zoals bedoeld in artikel 2.3.9 van de Wet.
**•.** In afwijking van het eerste lid kan het college een indicatie voor onbepaalde tijd verlenen indien de dienstverlening is gericht op stabilisering van de situatie, waarbij redelijkerwijs geen verbetering te verwachten is. Dit geldt in het bijzonder voor:
- - Inwoners van 75 jaar en ouder, van wie verwacht wordt dat zij permanent op de voorziening zijn aangewezen;
- - Inwoners met een progressieve aandoening, waarbij verbetering van de situatie onwaarschijnlijk is;
**•.** Is er sprake van een situatie waarbij de verwachting bestaat dat er verbetering mogelijk is in de eigen kracht, al dan niet door inzet van gebruikelijke hulp of het sociaal netwerk, (niet-afdwingbare) mantelzorg of algemene voorzieningen, zal de indicatieduur worden beperkt tot de termijn waarbinnen deze verbetering verwacht wordt, òf zal een getrapte indicatie plaatsvinden, waarmee de indicatie in 1 of meerdere stappen wordt af- of opgebouwd in omvang of intensiteit;
**•.** Het toekennen van een voorziening voor een langere periode betekent niet dat de cliënt tijdens deze periode een onvoorwaardelijke aanspraak houdt op de voorziening. Het college is altijd bevoegd om tussentijds onderzoek te verrichten naar de vraag of de voorziening nog adequaat en noodzakelijk is of dat het verstrekte Pgb nog passend is. Aan zo’n heronderzoek zijn dezelfde inhoudelijke voorwaarden verbonden als bij een onderzoek naar aanleiding van een melding;
- - De woonomstandigheden en de samenstelling van het huishouden van de cliënt en de veranderingen die zich daarin kunnen voordoen:
**•.** Als het maatwerk bestaat uit dienstverlening kunnen ook de woonomstandigheden en samenstelling van het huishouden invloed hebben op de indicatieduur. Bij overige maatwerkvoorzieningen speelt dit minder. Als er bijvoorbeeld sprake is van kinderen in het gezin, zullen deze mogelijkerwijs naarmate zij ouder worden meer gebruikelijke hulp kunnen verlenen. Ook kan het zijn dat na een beperkte ondersteuning van het gezin, bijvoorbeeld bij het anders organiseren van het huishouden of het aanleren van bepaalde vaardigheden, minder ondersteuning nodig is, omdat gezinsleden meer gebruikelijke hulp kunnen verlenen.