1.. Het college is bevoegd om, al dan niet periodiek, verstrekte maatwerkvoorzieningen te heronderzoeken op basis van artikel 2.9 van de Wet.

2.. Als een cliënt aangeeft dat hij structureel minder of meer ondersteuning nodig heeft dan wordt er op basis van een melding van de cliënt opnieuw onderzoek verricht naar de situatie van de cliënt en mogelijk een nieuw besluit genomen.

3.. De ingangsdatum van de wijziging wordt zo veel mogelijk in overleg met de cliënt vastgesteld.

4.. Er kan ook sprake zijn van tijdelijke afwezigheid van de cliënt. Bijvoorbeeld als gevolg van een ziekenhuisopname, vakantie of detentie. In principe blijft de indicatie in zo’n situatie gehandhaafd, maar wordt er niet geleverd. De zorgverlener mag de niet verleende zorg niet declareren. Indien de cliënt langer dan 14 dagen geen ondersteuning ontvangt, dan dient de cliënt dit middels de inlichtingenplicht door te geven aan het college (zie artikel 6.7 van de verordening). Zodra de cliënt weer thuis is, hervat de zorgverlener de ondersteuning en zal deze de ondersteuning ook weer normaal declareren bij het college.

5.. Als de cliënt, op wiens naam de indicatie is afgegeven, overlijdt of als hij/zij permanent of voor lange tijd (naar verwachting langer dan 8 weken) afwezig zal zijn, eindigt de indicatie.

6.. Als er sprake is van een achterblijvende partner, die eveneens ondersteuning nodig heeft, zal er een nieuw gesprek plaatsvinden tussen de cliënt en coach waarbij een afweging wordt gemaakt wat de goedkoopst adequate en meest doeltreffende maatwerkvoorziening is. Hiertoe kan behoren dat de maatwerkvoorziening overgezet wordt naar de achterblijvende inwoner.