Na beëindiging van de leidingwerkzaamheden moeten de gescheiden lagen grond, vrij van stenen en dergelijke, weer worden teruggebracht in dezelfde volgorde zoals ze werden aangetroffen.
De aanvulling dient te worden uitgevoerd in lagen van maximaal 0,30 m, waarbij elke laag moet worden verdicht. De sleuf dient na verdichting te voldoen aan de RAW-standaard 2020 artikel 24.02.03 tot en met 24.02.06, 24.05.01 en 24.05.04 waarbij de volgende uitgangspunten worden gehanteerd:
De verdichtingsgraad van de ongeroerde grond naast de sleuf of de grond in de sleuf voorafgaand aan het ontgraven is 100%.
De verdichtingsgraad van zand dat in grondverbetering is verwerkt bij grondwerk onder de kabels en leidingen, is ten minste 93%. De gemiddelde verdichtingsgraad is ten minste 98%.
De verdichtingsgraad van zand dat in aanvulling is verwerkt bij grondwerk voor kabels en leidingen en waar geen verharding is geprojecteerd, of dat moet worden verwerkt op een diepte van meer dan 1,0 m beneden het oppervlak van het toekomstige wegdek, is ten minste 93%. De gemiddelde verdichtingsgraad is ten minste 98%.
De verdichtingsgraad van zand dat in aanvulling is verwerkt bij grondwerk voor kabels en leidingen op een diepte van minder dan 1,0 m beneden het oppervlak van het toekomstige wegdek, is ten minste 95%. De gemiddelde verdichtingsgraad is ten minste 100%.
Indien de aanvulling van de sleuf voor kabels en leidingen geschiedt met uitgekomen grond, is de indringingsweerstand van de aanvulgrond ten minste gelijk aan 90% van de indringingsweerstand voorafgaand aan ontgraving.
Indien de aanvulling van de sleuf geschiedt met zand dat voldoet aan de eisen voor zand in aanvulling, grondverbetering of zand in zandbed, is tijdens het aanvullen het zand verdicht tot een indringingsweerstand is bereikt die per 10 mm diepte met ten minste 0,20 MPa toeneemt, dan wel ten minste 4 MPa bedraagt.
Ter plaatse van beplantingszones of van grasachtige vegetatie is de indringingsweerstand na verdichting van de sleuf 1 tot 1,5 MPa.
De sleuf moet, ter bescherming van de leiding en bekleding, tot een hoogte van 0,30 m boven de bovenkant leiding met grond vrij van grove en harde bestanddelen worden opgevuld. Deze eerste aanvullaag moet van een zodanige kwaliteit zijn en zo worden aangebracht, dat de leiding aan alle zijden over de gehele lengte een gelijkmatige en stevige ondersteuning krijgt.
De leidingexploitant dient de verdichtingswaarden op verzoek aan de toezichthouder te overleggen. De toezichthouder kan controle van de verdichting van de sleuf eisen. Indien de verdichting niet gehaald wordt dient de leidingexploitant op zijn kosten maatregelen te treffen om een juiste verdichting te bereiken, eventueel door het toepassen van grondverbetering (zand) of bestaand materiaal opnieuw in lagen te verdichten.
Bij vorst mag de sleuf niet aangevuld worden.
Hoofdstuk 5 › Paragraaf 5.5
Artikel 5.5.8
Verdichten sleuf
Onderdeel van Handboek Kabels en Leidingen HW 2025