**1..** Indien woonruimte via openbaar aanbod te huur wordt aangeboden, wordt de volgorde waarin de aanvragers van de huisvestingsvergunning voor verlening daarvan in aanmerking komen, overeenkomstig dit artikel vastgesteld.
**2..** Voor de verlening van de huisvestingsvergunning komen achtereenvolgens in aanmerking:
de woningzoekenden die in het bezit zijn van een passende urgentieverklaring en van hen als eerste degene bij wie de eerste fase van de urgentie als eerste is verlopen of verloopt;
woningzoekenden die deel uitmaken van een bindingsdoelgroep of een passendheidsdoelgroep, indien aan hen daarom gelet op artikel 2.2.7 of artikel 2.2.6 voorrang wordt gegeven bij de verlening van huisvestingsvergunningen;
de resterende woningzoekenden.
**3..** Indien op grond van het tweede lid niet kan worden vastgesteld in welke volgorde aanvragers in aanmerking komen voor verlening van de huisvestingsvergunning, wordt die volgorde vastgesteld op basis van het door de corporatie toegepaste bemiddelingsmodel.
**4..** Het tweede lid, onder a, is alleen van toepassing op een houder van een urgentieverklaring als:
het door de corporatie toegepaste bemiddelingsmodel vermeld is in de urgentieverklaring;
in de urgentieverklaring niet is bepaald, dat de urgentieverklaring niet van toepassing is op de in artikel 2.2.6 bedoelde categorie woonruimte waartoe de te huur aangeboden woonruimte behoort; en
de corporatie geen gebruik heeft gemaakt van de in het vijfde lid bedoelde mogelijkheid.
**5..** Een corporatie kan bij het via openbaar aanbod te huur aanbieden van woonruimte per kalenderjaar in maximaal 5 % van de gevallen aangeven, dat een urgentieverklaring niet tot gevolg heeft dat de houder ervan voorrang heeft bij de verlening van de huisvestingsvergunning.
**6..** Voor houders van een urgentieverklaring waarmee zij zijn ingedeeld in de urgentiecategorie ‘herhuisvesting bij sloop of ingrijpende verbetering’, wordt voor de toepassing van het bepaalde in het tweede lid, onder a, de eerste fase van de urgentie geacht te verlopen op het moment waarop de helft van de uitverhuisperiode is verstreken.
**7..** In dit artikel worden onder een passende urgentieverklaring verstaan: een urgentieverklaring die de houder ervan gelet op het bepaalde in artikel 3.2.1, tweede lid, voorrang geeft bij het verlenen van een huisvestingsvergunning voor de te huur aangeboden woonruimte.
**8..** Dit artikel is niet van toepassing op houders van een urgentieverklaring indien in de urgentieverklaring is bepaald, dat hij of zij niet zelf via het aanbodinstrument naar woonruimte kan zoeken.
Hoofdstuk 2. › Paragraaf 2.2.
Artikel 2.2.9.
Volgordebepaling woningzoekenden ingeval van openbaar aanbod
Onderdeel van Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025